Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
13 september 2013.
Hoge Raad
Verzoekers hebben verzocht om hun in september 2010 uitgesproken faillissementen op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de duur van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op drie jaar vanaf de datum van het vonnis, mede vanwege de hoge schuldenlast en een maandelijkse afdrachtplicht van ruim € 2.000.
Het hof heeft het hoger beroep van verzoekers verworpen en geoordeeld dat tegen de beslissing over de duur van de schuldsaneringsregeling geen beroep openstaat op grond van art. 15c Fw, omdat deze beslissing niet valt onder de uitsluiting van rechtsmiddelen. Verzoekers stelden dat de rechtbank de discretionaire bevoegdheid om de looptijd te verkorten onjuist had toegepast, maar het hof oordeelde dat de belangen van schuldeisers en verzoekers zorgvuldig waren afgewogen.
De Hoge Raad stelde vast dat art. 15c Fw alleen het rechtsmiddelenverbod betreft ten aanzien van de opheffing van het faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet echter over de duur van die regeling. Desondanks verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep omdat de rechtbank haar bevoegdheid correct had uitgeoefend. Het beroep werd verworpen zonder vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de duur van drie jaar voor de schuldsaneringsregeling.