Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2 t/m 5gaan vervolgens in op ieder van de door Llanos Oil in verband met haar beroep op art. 9 sub c Rv Pro aangevoerde omstandigheden. De in deze onderdelen vervatte klachten vormen grotendeels een herhaling van de klachten uit onderdeel 1, toegespitst op de afzonderlijke omstandigheden die door Llanos Oil in verband met haar beroep op art. 9 sub c Rv Pro zijn aangevoerd. Soms bevatten deze onderdelen nog een nadere uitwerking, zoals in
onderdeel 3waarin wordt betoogd dat het oordeel van het hof over de door Llanos Oil aangevoerde omstandigheid dat de aandeelhouders van Llanos Oil merendeels Nederlands zijn, onvoldoende is gemotiveerd waar het hof overweegt dat met deze stelling nog niets is gezegd over de vraag hoeveel procent van het aandelenkapitaal wordt gehouden door deze Nederlandse aandeelhouders. Llanos Oil heeft immers gesteld dat [betrokkene 1] de grootaandeelhouder van Llanos Oil was en is (en [betrokkene 2] directeur-aandeelhouder was en is). In de
onderdelen 4 en 5wordt voorts nog aandacht gevraagd voor de door Llanos Oil aangevoerde omstandigheid inzake de schending van mensenrechten in de Republiek Colombia waardoor voor Llanos Oil en haar bestuurders (in het bijzonder [betrokkene 1]) in Colombia geen sprake kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Het hof zou met deze omstandigheid geen althans onvoldoende rekening hebben gehouden bij de beantwoording van de vraag of de onderhavige zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is als bedoeld in art. 9 sub c Rv Pro.