ECLI:NL:PHR:2014:234

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
13/01761
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onjuiste rechtsopvatting en tijdstip verzoek deskundige

In deze zaak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Het beroep richt zich op drie middelen die alle worden verworpen. Ten eerste faalt het beroep omdat het uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de Salduz-jurisprudentie ook geldt voor niet-aangehouden verdachten, hetgeen door de Hoge Raad eerder is verduidelijkt.

Ten tweede wordt het middel verworpen omdat het verzoek om het horen van een deskundige pas tijdens het pleidooi is gedaan, wat niet tijdig is volgens de rechtspraak. Ten derde faalt het middel dat klaagt over het ontbreken van opmerkingen over de betrouwbaarheid van enkelvoudige fotoconfrontaties, omdat daarvoor geen feitelijke grondslag is.

Gelet op deze overwegingen adviseert de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De zaak hangt samen met een andere zaak waarin een vergelijkbaar advies is uitgebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.

Conclusie

Nr. 13/01761
Zitting: 4 februari 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof Den Haag. [1]
2. Het
eerste middelfaalt omdat het berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de Salduz-jurisprudentie ook van toepassing is ten aanzien van verdachten die niet zijn aangehouden (zie o.m. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6908). Het
tweede middelfaalt omdat het verzoek om de bedoelde deskundige te horen eerst bij pleidooi is gedaan (HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6130). Het
derde middel, dat klaagt dat het Hof “niets” heeft opgemerkt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de enkelvoudige fotoconfrontaties, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De middelen kunnen derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.De onderhavige zaak hangt samen met zaak nr. 13/01762, waarin ik vandaag eveneens concludeer.