Conclusie
“poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3b, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een geldboete van honderd euro, bij niet betaling te vervangen door twee dagen hechtenis. In hoger beroep heeft het gerechtshof afgezien van oplegging van een straf of maatregel. [1]
waar moeten we ons mee bezighouden??’ Dit is er een van. Met het ‘we’ en het ‘ons’ doel ik uiteraard niet uitsluitend op mijzelf, maar op het gehele, relatief kostbare justitieapparaat waarvan ik een radertje ben. Ik word gesterkt in die gedachte bij lezing van de indertijd geldende Aanwijzing Opiumwet van 22 december 2006, Stcrt. 2006, 250, die op dit punt overigens nadien geen wijzigingen heeft ondergaan. De strafvervolging die onderwerp is van de onderhavige zaak past namelijk beslist niet goed in het prioriteitenlijstje op het terrein van art. 3b Ow dat het openbaar ministerie met de openbaarmaking van deze aanwijzing(en) bekend heeft gemaakt.
middel, dat - gelezen in samenhang met de toelichting - uitsluitend klaagt over de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring van de passage: (een openbaarmaking die) “
er kennelijk op is gericht de verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van middelen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Opiumwet te bevorderen”. De bewezenverklaring van (een poging tot) “
openbaarmaking”wordt niet bij wijze van rechts- of motiveringsklacht aan Uw Raad voorgelegd.
kunnenoordelen dat
dezejoints reclame voor joints konden maken. Het middel voert hiertegen aan dat de beschreven joints niet kunnen worden aangemerkt als een aanprijzing van softdrugs, doch slechts als een aanprijzing van de betreffende coffeeshop. Ik vraag mij af of dit onderscheid vruchtbaar is. Het problematische ervan is dat een coffeeshop per definitie softdrugs verkoopt. “W
e sell what we sell,” luidt het op internet te lezen devies van de nog steeds bestaande coffeeshop. Reclame voor de coffeeshop is dus vrijwel altijd tevens reclame voor de aldaar verkochte middelen. Net zo goed als dat een uithangbord met een afbeelding van bier een aansporing is om dat bier toch vooral te drinken in het café waaraan het betreffende uithangbord is bevestigd. De nadruk kan iets anders liggen, geef ik dan wel weer toe, maar het onderscheid is minst genomen lastig onder woorden te brengen, en daarmee in de praktijk van alledag moeizaam te handhaven. Mijn ambtgenoot Machielse deed ruim dertien jaar geleden niettemin een sympathieke poging om het onderscheid tussen enerzijds de winkel en anderzijds het product te munten. Na een uitweiding over de wetsgeschiedenis, die inderdaad uitwijst dat aanzienlijk krassere voorbeelden van reclame-uitingen aanleiding waren voor de invoering van het (thans nog ongewijzigde) aanprijzingsverbod van art. 3b Ow, betoogde mijn ambtgenoot:
deze wijzereclame maken voor de coffeeshop is m.i. gelijk te stellen met het aanprijzen van de softdrugs die daar te koop zijn.