Conclusie
inherziening stond namelijk bij voorbaat vast. [1] Wat was er aan de hand? De man die door het gerechtshof onherroepelijk was veroordeeld, was hangende het hoger beroep reeds overleden. Van dat overlijden was het gerechtshof echter onbekend gebleven. Indien het gerechtshof daarmee tijdig bekend zou zijn geworden, was de strafzaak ongetwijfeld geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Nu dat overlijden alsnog bekend werd, deed de Hoge Raad in die zaak zelf wat een gerechtshof na verwijzing zonder enige twijfel zou hebben gedaan: het onherroepelijk geworden arrest vernietigen en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de tegen de (overleden) verdachte lopende vervolging. Deze zaak is echter niet vergelijkbaar met de thans voorliggende kwestie. Zoals gezegd stemt de strekking van mijn vordering tot herziening overeen met die van het verzoek tot herziening. Dat betekent echter niet dat in de voorliggende zaak geen weging van het novum meer hoeft plaats te vinden. Integendeel, het feitelijke karakter van de zaak dwingt daartoe.