Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
cashflowvoordeel; niet om een door stelselwijziging eenmalig voorgoed bereikt fiscaal voordeel. Als het verschil in (effectief) tarief tussen acute heffing (Vpb) en deels uitgestelde IB-heffing (a.b.-heffing) enerzijds en acute IB-winst-heffing anderzijds al een relevant fiscaal voordeel is, is dat een gevolg van de keuze van de wetgever om het Vpb-tarief in stappen te verlagen. Nu de belanghebbende structureel voor de combinatie Vpb/a.b.-heffing in plaats van IB-winstbelasting kiest, kan hem ter zake van die keuze geen gerichtheid op incidenteel fiscaal voordeel verweten worden.
ondernemingsvoordeelen het begrip ‘incidenteel
fiscaalvoordeel’. De eis van incidentie heeft slechts betrekking op het
fiscalevoordeel, niet op de (gebruikelijkheid van) commerciële ondernemingsbaten. Ongebruikelijke stijging van de omzet van de ondernemer zegt niets over de incidentie van een fiscaal voordeel. Niet het
fiscalevoordeel is in casu incidenteel, maar slechts de (omvang van de) ondernemingsbate. Die omvang doet mijns inziens echter niet ter zake: als het om € 200.000 of € 250.000 ($ 250.000 of $ 310.000) zou zijn gegaan, had de Inspecteur denkelijk geen probleem gezien, maar routineus terugwerkende kracht verleend.
binnende IB) of als de regimewijziging zelf incidenteel is en daardoor incidenteel fiscaal voordeel ontstaat. Daarvan is, gegeven het door de wetgever gepostuleerde globale evenwicht/samenhang, geen sprake bij structurele overgang van het IB-winstregime naar het Vpb/a.b.-regime, ook niet als dat met terugwerkende kracht gebeurt, en ook niet als er in de voorperiode toevallig meer winst zit dan in andere jaren. In casu is niet gesteld dat de overgang van het IB-winstregime naar het Vpb/a.b.-regime efemeer of voorbijgaand (niet-structureel) zou zijn, dat de overgang zelf incidenteel fiscaal voordeel zou veroorzaken of dat de BV slechts als geldzak zou voortleven. Het enige voorbeeld van incidenteel fiscaal voordeel als gevolg van terugwerkende kracht van geruisloze inbreng dat de gedelegeerde regelgever ooit heeft gegeven (in de toelichting op de achtste (toen tiende) standaardvoorwaarde tussen 1997 en 2001; zie 4.12) is dan ook van heel andere aard dan belanghebbendes geval; het betrof een inkomensbestanddeel dat bij terugwerkende kracht van de regime-overgang zowel uit de IB-winstsfeer als uit de Vpb-sfeer zou verdwijnen; afstel dus: dubbele niet-belasting. Daarvan is in casu geen sprake.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
disposables, zogenoemde ‘[BB]’.
timingvoordeel voordoet, nu de heffing over de bate deels acuut is (Vpb) en voor het overige uitgesteld wordt (IB over voordelen uit aanmerking belang), en dat dit
timingvoordeel inherent is aan de samenhang tussen de Vpb en de IB. Ad (iii) betoogt de belanghebbende dat, als er al een fiscaal voordeel is, dit voordeel niet incidenteel maar duurzaam is, nu het tariefvoordeel van omzetting zich permanent voordoet.
3.Het geding in cassatie
cashflowvoordeel; niet om een door stelselwijziging eenmalig en voorgoed bereikt fiscaal voordeel. Het Hof gaat overigens ten onrechte voorbij aan de tariefprogressie in box 1 en aan het verschil in grondslagbepaling tussen de IB en de Vpb; hij beperkt het geschil arbitrair tot tariefvergelijking. Als het verschil in (effectief) tarief tussen acute heffing (Vpb) en deels uitgestelde IB-heffing (a.b.-heffing) enerzijds en acute IB-winst-heffing anderzijds al een relevant fiscaal voordeel is, is dat verschil een gevolg van de keuze van de wetgever om het Vpb-tarief in stappen te verlagen. Nu de belanghebbende structureel voor de combinatie Vpb/a.b. in plaats van IB-winst kiest, kan hem ter zake van die keuze geen gerichtheid op incidenteel fiscaal voordeel verweten worden.
grotebate is, maar wel dat het een
eenmaligebate zou zijn. Net als het Hof, dat daarmee buiten de rechtsstrijd is getreden, veronderstelt de Staatssecretaris ten onrechte dat het resultaat 2007 niet zou voortvloeien uit de gewone ondernemingsuitoefening. Het is in strijd met de rechtszekerheid om een sterke stijging van de omzet aan te grijpen om terugwerkende kracht te weigeren. Sterke omzetstijging is nu eenmaal juist de aanleiding voor een ondernemer om de BV-vorm op te zoeken. Een liquiditeitsvoordeel is geen incidenteel fiscaal voordeel, anders is elke terugwerkende kracht van geruisloze inbreng verboden. HR FED 1986/1317 gaat over een ander geval, nl. overname van de onderneming door de BV, leidende tot een
belastestaking van de IB-onderneming, waarbij getracht werd regulier belaste jaarwinst om te vormen tot laag belaste stakingswinst, waarvan in casu juist per definitie (
geruislozeinbreng) geen sprake is.
4.De regelgeving(sgeschiedenis) en de jurisprudentie
ain het kalenderjaar de onderneming geacht niet te zijn gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in de vorige volzin bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.
Voorwaarden voor fiscaal geruisloze incorporatie van een onderneming
Besluit van 24 september 1997, nr. DB97/2950M, BNB 1997/365, werd in par. 13.1.2 een voorbeeld van een incidenteel fiscaal voordeel gegeven: de buitenlandse belastingplichtige die zijn binnenlandse vi geruisloos omzette in een BV kreeg geen vóór-voorperiode toegekend als hij zijn privéonttrekkingen over die periode niet in zijn aangifte IB als te belasten inkomsten uit arbeid betrok. Deze privéopnamen vormden onder het regime van de Wet IB 1964 inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking ex art. 22, lid 1, onderdeel b, die bij een buitenlandse belastingplichtige niet konden worden belast, omdat alleen inkomsten uit een in Nederland vervulde dienstbetrekking tot zijn binnenlandse inkomen behoorden. [19] Per 1 januari 2001 is dit veranderd, omdat sindsdien het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland in art. 7.2, lid 2, onderdeel c, tot het inkomen uit werk en woning in Nederland van een buitenlandse belastingplichtige wordt gerekend. In het
Besluit BNB 2010/277, komt dit voorbeeld dan ook niet meer voor, terwijl evenmin op andere wijze invulling wordt gegeven aan het begrip incidenteel fiscaal voordeel. Volgens
Kuijpers [20] wordt met een beroep op de aanwezigheid van een incidenteel fiscaal voordeel bijvoorbeeld voorkomen dat een incidentele grote bate in de ondernemingsuitoefening, behaald in de vóór-voorperiode, via een achterdeur de BV wordt binnengeloodst, waardoor een belangrijk tariefvoordeel zou zijn te bereiken. Het komt ons voor dat aan dit voordeel sinds 1 januari 2001 weinig betekenis meer kan worden toegekend, omdat sindsdien de belastingdruk op ondernemingswinsten van natuurlijke personen en op winsten van BV’s, waarvan de aandelen in handen zijn van a.b.houders, elkaar dicht zijn genaderd (…).”
5.‘Incidenteel fiscaal voordeel’ elders in het fiscale recht
Goed koopmansgebruik: bestendige gedragslijn en wijziging van winstbepalingstelsel
incidenteelfiscaal voordeel:
dat 's Hofs beslissing dat met die verandering voor de regeling van de aan belanghebbende voor het jaar 1964 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting geen rekening mocht worden gehouden dus juist is; (…).”
V-N2014/41.9 tekende bij de Hofuitspraak aan:
BNB2010/277). In gelijke zin geldt deze voorwaarde indien bij een juridische fusie dan wel een juridische afsplitsing het fusietijdstip c.q. het splitsingstijdstip op de aanvang van het boekjaar wordt gesteld (par. 4 van het Besluit van 19 december 2000, CPP 2000/3131M respectievelijk CPP 2000/2682M).”
binnende IB; een wijziging die tot effect heeft dat inkomsten definitief tegen een lager IB-tarief worden belast dan zonder wijziging het geval zou zijn, zodat geen sprake is van uitstel van heffing, maar van (gedeeltelijk) afstel.
Fiscaal terugwerkende kracht van fiscale fusie- en splitsingfaciliteiten
BNB2006/146 nog ontbrak. Dreigende heffingslekken waren het gevolg. [39] Zo leken door een BV gerealiseerde winsten op het beleggingsvermogen door middel van een omzetting in een stichting met terugwerkende kracht buiten de heffing van vennootschapsbelasting te kunnen worden gehouden. En in de omgekeerde situatie leken door een stichting geleden beleggingsverliezen te kunnen worden getransformeerd in voor de heffing van vennootschapsbelasting aftrekbare verliezen. Deze in het oog springende heffingslekken zijn nu echter van de baan. Wat verder moet worden voorgesteld bij het beogen of behalen van een (incidenteel) fiscaal voordeel is onduidelijk. [40] Oók in het kader van de toekenning van terugwerkende kracht aan een juridische fusie of splitsing heeft de Staatssecretaris van Financiën de voorwaarde niet toegelicht.”
De regeling voor fiscale winstrapportage in functionele valuta
6.Beschouwing
zonderterugwerkende kracht is niet onderworpen aan de voor-waarde dat er geen incidenteel fiscaal voordeel mee wordt beoogd of behaald. Mede gezien HR BNB 1970/68 (zie 5.3 hierboven), spreekt dat in zoverre vanzelf dat omzetting van een IB-onderneming in een BV leidt tot toepassing van het lagere Vpb-tarief, hetgeen
uiteraardeen fiscaal voordeel inhoudt, waar kennelijk niets tegen is, want de wetgever faciliteert het. Dat tariefvoordeel is – net als de omzetting – niet incidenteel maar duurzaam en strookt met des wetgevers idee van het ‘globale evenwicht’ tussen het IB-winstregime en het gecombi-neerde Vpb/IB-a.b.-regime dat als rechtsgrond dient voor des wetgevers wens om ondernemers zo weinig mogelijk fiscaal te belemmeren bij hun keuze van de volgens hen geëigende rechtsvorm voor hun onderneming. Is er geen tariefvoordeel (meer), dan kan de ondernemer desgewenst geruisloos terugkeren uit de BV (art. 14c Wet Vpb). Het wettelijke systeem houdt dus in dat de ondernemer de fiscaal gunstigste vorm/het laatste tarief kan kiezen.
no cure no paykarakter van belanghebbendes diensten of een mogelijk kasstelsel van zijn eenmanszaak tot 2007 daartoe geen grond.
ondernemingsvoordeelenerzijds en anderzijds het begrip ‘incidenteel
fiscaal voordeel’. Weigering van terugwerkende kracht kan slechts betrekking hebben op het incidentele van het
fiscalevoordeel, niet op de ((on)gebruikelijkheid van een) commerciële ondernemingsbate. Een ongebruikelijke stijging of een concentratie (bijvoorbeeld als gevolg van
no cure no pay) in de inkomsten van de ondernemer zegt op zichzelf niets over de aanwezigheid van een incidenteel
fiscaalvoordeel. Mijns inziens is in casu niet het
fiscalevoordeel incidenteel, maar slechts de (omvang van belanghebbendes) ondernemingsbate. Die omvang doet mijns inziens echter niet ter zake: als die omvang € 200.000 of € 250.000 ($ 250.000 of $ 310.000) zou zijn geweest, had de Inspecteur denkelijk geen probleem gezien, gegeven dat het omslagpunt volgens gangbare vuistregel bij circa € 200.000 ligt en dergelijke gevallen routineus terugwerkende kracht krijgen. Indien de belanghebbende ook in de jaren voorafgaande aan 2007 grote ondernemingsbaten zou hebben ontvangen (bijvoorbeeld $ 600.000 in 2005 en $ 800.000 in 2006), zou de fiscus denkelijk evenmin enig probleem hebben gezien in terugwerkende kracht naar 1 januari 2007 – maar mogelijk zelfs gevraagd hebben: waarom nu pas? – hoewel het fiscale voordeel in 2007 alsdan even groot zou zijn geweest als in casu. De fiscus zou in die omstandigheden vermoedelijk zelfs geen probleem hebben gezien als de bate in 2007 nog meer dan $ 1 mio had bedragen, hoewel daardoor een nog groter fiscaal voordeel zou zijn ontstaan dan in casu. Ik geef tenslotte het voorbeeld van de uitvinder of de
app-ontwerper die jarenlang nauwelijks winst maakt omdat hij/zij dingen bedenkt die niet aanslaan, maar in mei van jaar
niets geweldigs bedenkt en de desbetreffende intellectuele eigendom eind dat jaar verkoopt voor $ 1 mio. Ik zie niet in waarom terugwerkende kracht van de geruisloze inbreng van die eigendom in zijn in jaar
n+1tot stand komende BV uitgesloten zou moeten zijn indien niets erop wijst dat hij niet voornemens is tot in lengte van jaren de resultaten van zijn uitvindingen voor rekening van de BV te blijven laten komen.
fiscalevoordeel in 2007 incidenteel, maar slechts (de omvang van) de ondernemingswinst. Incidenteel
fiscaalvoordeel doet zich mijns inziens voor als de regime-overgang leidt tot afstel van belasting (het verloren gaan van een belastingclaim) of als de regime-wijziging zelf incidenteel (zeer voorbijgaand) is en dáárdoor incidenteel fiscaal voordeel ontstaat. Daarvan is, gegeven het door de wetgever gepostuleerde globale evenwicht/samenhang, geen sprake bij structurele overgang van het IB-winstregime naar het Vpb/a.b.-regime, ook niet als dat met terugwerkende kracht gebeurt, en ook niet als er in de voorperiode toevallig (veel) meer winst zit dan in andere jaren; als de overgang maar niet incidenteel is. In casu is niet gesteld dat de overgang van het IB-winstregime naar Vpb/a.b.-regime efemeer of voorbijgaand zou zijn of dat die overgang zelf enig incidenteel fiscaal voordeel zou veroorzaken. Evenmin heeft het Hof vastgesteld dat het uitgesloten of onwaarschijnlijk is te achten dat de BV na 2007 nog baten van enige betekenis zou ontvangen of dat de BV-vorm weer verlaten zou worden of slechts als geldzak (omvattende $ 1 mio minus de Vpb) zou voortbestaan (dat zou overigens mogelijk al stranden op de toelichting bij de standaardvoorwaarde 8 inhoudende dat niet geruisloos mogelijk is een inbreng die deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of de liquidatie van de onderneming).
altijdincidenteel fiscaal voordeel voordoet. De terugwerkende kracht is per definitie incidenteel. Er is
altijdeen fiscaal voordeel in de voorperiode als de gecombineerde belastingdruk van de Vpb-heffing en de latente a.b.-heffing lager uitvalt dan de IB-winstbelastingheffing. Maar daar is niets tegen, gegeven het door de wetgever gepostuleerde globale evenwicht/de samenhang tussen de twee stelsels.
7.Beoordeling van de middelen
binnenhet IB-winstregime te verschuiven van het progressieve tarief naar het lagere bijzondere tarief. Ook daar ging het dus om (deels) afstel van de door de wetgever beoogde heffing zonder enig later herstel door globaal evenwicht tussen de twee betrokken regimes.