ECLI:NL:PHR:2014:1919
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-toepassing aandelenfusiefaciliteit bij driehoeksfusie met Amerikaanse vennootschap
Belanghebbende, voormalig aandeelhouder van [C] BV, had zijn aandelen in 2000 verkocht zonder deze als aanmerkelijk belang aan te merken in zijn belastingaangifte. De Inspecteur nam het vervreemdingsvoordeel echter wel als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking en legde een navorderingsaanslag op. Na eerdere uitspraken van de Hoge Raad en het Hof Amsterdam werd vastgesteld dat belanghebbende aandelen had vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden, maar dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing was.
In cassatie betoogde belanghebbende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van een aandelenfusie in de zin van artikel 20f in verbinding met artikel 14b Wet IB 1964. De Advocaat-Generaal merkte op dat de wet vereist dat de overnemende vennootschap eigen aandelen uitreikt, terwijl in deze zaak aandelen in de moedervennootschap van de overnemende vennootschap werden uitgereikt, wat niet voldoet aan de wettelijke definitie.
De Hoge Raad bevestigde dat de aandelenfusiefaciliteit niet geldt voor driehoeksfusies waarbij een Amerikaanse vennootschap betrokken is en dat dit niet leidt tot discriminatie binnen de EU. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de regeling niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal, aangezien het hier gaat om de vrijheid van vestiging die niet van toepassing is op relaties met derdelanden. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de aandelenfusiefaciliteit en bevestigt de restrictieve uitleg van de regeling bij complexe fusies waarbij persoonlijke houdstermaatschappijen en buitenlandse vennootschappen zijn betrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.