Conclusie
Eprom Organisatie Adviseurs B.V.,
G. Bouwman, korpschef, als wettelijk vertegenwoordiger van de Politie
Voorziening tot Samenwerking Politie Nederland,
nrs. 1-10, in het bijzonder
nrs. 3-4 en 10) en een motiveringsklacht (in
nr. 11)tegen rov. 4.28, 4.33, 4.39 en 4.41-4.43. Het hof zou hebben miskend (essentiële stellingen van Eprom inhoudende) dat VTSPN geen belang meer had bij haar vorderingen tot ontbinding en nakoming van de ongedaanmakingsverbintenissen, nu zij de overeenkomsten bij brief van 2 juni 2009 al per direct door opzegging had doen eindigen.
nrs. 5-7) tot uitgangspunt wordt genomen dat het hof in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat tegen rov. 4.24 van het bestreden vonnis geen grieven zijn gericht. Het hof heeft naar mijn mening in rov. 4.9 slechts geoordeeld dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.24 dat de brief van VTSPN van 2 juni 2009 geen buitengerechtelijke ontbindingsverklaring inhield. Het hof heeft vervolgens onderzocht of de vorderingen van VTSPN tot ontbinding toewijsbaar zijn.
nr. 9concludeert, faalt het middel. Het berust namelijk op de veronderstelling dat er geen belang bij een ontbinding van de overeenkomsten kan bestaan, omdat deze zijn opgezegd. Het middel laat echter na aan te geven waarom die veronderstelling in dit geval juist is respectievelijk waarom uit de stellingen van Eprom in feitelijke instanties zou volgen dat het hof daarop nader had moeten ingaan.
nrs. 8 en 11naar stellingen van Eprom, maar daaruit blijkt niet (en het middel geeft dat evenmin aan) dat Eprom heeft betoogd dat gezien de rechtsgevolgen van de opzegging in concreto belang bij een ontbinding zou ontbreken. Het betoog was abstracter en hield in dat gezien de opzegging belang bij een ontbinding zou ontbreken. [6] Het enkele feit dat met werking voor de toekomst is opgezegd, [7] staat er echter niet aan in de weg dat de overeenkomst wegens een tekortkoming alsnog ook voor het verleden wegens een reeds bestaande tekortkoming wordt ontbonden. [8] Daaraan doet niet af dat de overeenkomst na de opzegging in de toekomst niet meer nagekomen behoeft te worden. [9]
nrs. 12-13 en 17) op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.27 dat Eprom geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.19 dat Eprom ex art. 6:83 sub c BW Pro zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Ter onderbouwing van deze klacht verwijst het middel in
nrs. 15-16naar alinea 10 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel, die luidt:
nrs. 14 en 19-21dat het hof bij de toepassing van art. 6:83 sub c BW Pro een onjuiste maatstaf hanteert.
nr. 18, dat het hof in rov. 2.5 heeft miskend dat Eprom meer dan één grief tegen het vonnis heeft gericht, al zelfstandige betekenis heeft, faalt zij omdat zij niet voldoet aan de op de voet van art 407 Rv Pro daaraan te stellen eisen. De klacht geeft (anders dan reeds in 2.5 is besproken) niet, althans niet met voldoende precisie en bepaaldheid, aan welke niet door het hof besproken grieven het hof nog meer in de stellingen van Eprom had moeten ontwaren en waarom het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof dat niet heeft gedaan.
nrs. 22-23) dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.28, dat de vordering van VTSPN tot ontbinding van de overeenkomst en de aanvullende overeenkomst toewijsbaar is, essentiële stellingen van Eprom dan wel de devolutieve werking van het appel heeft miskend.
nrs. 25-31) berusten, kort gezegd, op de gedachte dat het hof zou hebben miskend dat Eprom een verweer heeft ontleend aan de tenzij-clausule van art. 6:265 lid 1 BW Pro dan wel niet op dat verweer zou zijn ingegaan. Deze klachten missen feitelijke grondslag. Immers constateert het hof in rov. 4.29 dat Eprom stelt dat haar tekortkoming dusdanig beperkt c.q. dusdanig gering van betekenis is dat dit geen algehele ontbinding van de overeenkomst en de aanvullende overeenkomst rechtvaardigt. Het hof oordeelt in rov. 4.31-4.32 evenwel dat Eprom tegenover de gemotiveerde betwisting van VTSPN niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat haar tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis slechts een gedeeltelijke ontbinding rechtvaardigt. Conform de hoofdregel van art. 6:265 lid 1 BW Pro heeft het hof daarom geoordeeld dat de overeenkomsten geheel konden worden ontbonden.
nr. 24) en op middel 4 (in
nr. 30) deelt het het lot van die middelen.
middel 4(in de
nrs. 32-35) is onbegrijpelijk de overweging in rov. 4.32 dat Eprom niet heeft bestreden dat de opgeleverde functiebeschrijvingen niet kunnen dienen als input voor het te vernieuwen FuwaPol. Volgens het middel blijkt uit het betoog in de alinea’s 16 en 17 van de MvA tevens incidenteel appel dat Eprom wel heeft bestreden dat de opgeleverde functiebeschrijvingen niet kunnen dienen als input voor het te vernieuwen FuwaPol.
separaatonderdeel vormen en eenvoudig kunnen worden geactualiseerd
zodrahet nieuwe FuwaPol in werking is getreden.
metactuele niveau-indicatoren
op basis waarvantot een vernieuwd Fuwapol kon worden gekomen (rov. 4.26).
nr. 36) dat het hof “ten onrechte, want in strijd met de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel, niet [is] nagegaan of het gehouden was stellingen van Eprom uit het debat bij de rechtbank alsnog of opnieuw te beschouwen” voldoet het wegens het ontbreken van iedere toelichting en verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. [11]