Conclusie
“Bijna de helft van de particulier verzekerde 65-plussers ontving vóór 2006 een contractuele werkgeversbijdrage( [1] ). Werkgevers hebben de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in januari 2006 en masse aangegrepen om hun contractuele ziektekostenbijdragen aan gepensioneerden, vutters en anderszins inactieven (hierna: postactieven) te beëindigen. Deze (eenzijdige) beëindigingen hebben tot een stroom aan uitspraken geleid.”
1.Feiten en procesverloop
( [3] )
Door de Bank is (…) een collectief contract gesloten voor de verzekering van ziektekosten (…). Alle medewerkers, alsmede hun gezinsleden (…) kunnen deelnemen (…). Ook oud-medewerkers, die een V.U.T.-uitkering of pensioen genieten kunnen met hun gezinsleden hun deelname aansluitend aan de beëindiging van hun dienstverband voortzetten. (...)
De bank heeft tegelijkertijd besloten om aan alle gepensioneerden, die aansluitend aan het actieve dienstverband met pensioen zijn gegaan en via ons collectief contract verzekerd zijn een bijdrage in de premie van de ziektekostenverzekering te verstrekken.
Deelnemers kunnen zijn:
Deelnemers aan de collectieve ziektekostenverzekering komen in aanmerking voor een werkgeversbijdrage. Indien niet van de collectieve ziektekostenverzekering gebruik wordt gemaakt, zal geen subsidie worden verstrekt. De werkgeversbijdrage in de kosten van deze verzekering wordt vastgesteld op grond van de CAO Fortis Bank en bedraagt naar de situatie per 1 januari 2001: 60%.”
( [4] )
( [5] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 t/m 1.3ligt de veronderstelling ten grond-slag dat het hof in de rov. 3.11 t/m 3.18 van oordeel is dat er tussen Fortis en ieder van de Eisers geen overeenkomst heeft bestaan met een verbintenis voor Fortis om een bijdrage in de kosten van de ziektekostenverzekering uit te betalen. Die veronderstelling is onjuist. Zoals hiervoor in 2.3 uiteengezet, komt het hof in de rov. 3.11 t/m 3.18 niet tot slotsom dat er in het geheel geen overeenkomst tussen Fortis en ieder van de Eisers inzake een bijdrage in de kosten van de ziektekostenverzekering heeft bestaan, maar tot de slotsom dat de overeenkomst tussen Fortis en ieder van de Eisers, anders dan zij stellen, niet heeft ingehouden een onvoorwaardelijk en levenslang recht van ieder van de Eisers op een onvoorwaardelijke en levenslange verplichting van Fortis tot uitbetalen van een bijdrage in de kosten van een ziektekostenverzekering. De klachten in de subonderdelen 1.1 t/m 1.3 treffen dan ook geen doel wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.4– waarin wel ervan wordt uitgegaan dat het hof is uitgegaan van het bestaan van een overeenkomst tussen Fortis en ieder van de Eisers met een verplichting voor Fortis om een bijdrage in de kosten van een ziektekostenverzekering te betalen – wordt erover geklaagd dat, indien het hof met het kwalificeren in rov. 3.23 van de bijdrage in de kosten van de ziektekostenverzekering als ‘achterhaald’ heeft beoogd te oordelen dat de door Fortis als werkgever te betalen bijdrage in de kosten van de ziektekostenverzekering alleen betrekking had op de door oud-werknemers tot 2006 verschuldigde premie voor een ziektekostenverzekering en niet ook op de door oud-werknemers vanaf 1 januari 2006 op grond van de Zorgverzekeringswet verschuldigde premie, dat oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Anders gezegd, in subonderdeel 1.4 wordt geklaagd over een onbegrijpelijk (verondersteld) oordeel van het hof omtrent de reikwijdte van de overeenkomst inzake de bijdrage in de kosten van de ziektekostenverzekering.
alleeneen verplichting was met betrekking tot de kosten van de vóór 1 januari 2006 geldende collectieve ziektekostenverzekering, maar dat de de verhouding tussen partijen mede beheersende redelijkheid en billijkheid als aanvulling nog meebrachten dat het verstrekken van de bijdrage niet reeds per 1 januari 2006 werd gestaakt maar geleidelijk werd afgebouwd.
subonderdeel 1.5komt hierop neer dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de gepastheid van de wijze waarop Fortis in de gevolgen van het vervallen van de werkgeversbijdrage heeft voorzien de maatstaf van redelijkheid en billijkheid te hanteren. Immers, zo wordt gesteld, een (oud)werkgever kan een rechtens jegens een werknemer afdwingbare verplichting slechts beëindigen, indien het verlangen van nakoming van die verplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans indien de (oud)werkgever een (voldoende) zwaarwegend belang heeft om de verplichting niet (ongewijzigd) voort te zetten (de ‘zware toets’). Blijkens de toelichting op deze klacht
( [6] )wordt hier teruggevallen op met name HR-jurisprudentie inzake de bevoegdheid van de werkgever om een jegens de werknemer bestaande verplichting eenzijdig te wijzigen. De bespreking van die jurisprudentie mondt uit in de conclusie – mede voor het onderhavige geval – dat de (oud)-werkgever slechts tot wijziging of beëindiging van een arbeidsvoorwaarde (jegens een gepensioneerde) kan besluiten als hij daartoe een zwaarwegend belang heeft dan wel dat gehoudenheid aan de arbeidsvoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en onbillijkheid onaanvaardbaar is. Het hof volstaat daarentegen met het hanteren van de (hele) lichte redelijkheids- en billijkheidstoets.
subonderdeel 1.6wordt ervan uitgegaan dat er tussen Fortis en de gepensio-neerden sprake is geweest van de situatie waarin voor de werkgever uit een overeenkomst een verbintenis jegens de werknemer voortvloeit, welke verbintenis de werkgever eenzijdig wenst te wijzigen. Voorts wordt ervan uitgegaan dat het hof niet heeft miskend dat in die situatie de ‘zware toets’ dient plaats te vinden. Maar dan is, zo wordt betoogd, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het oordeel van het hof dat Fortis tot een eenzijdige beëindiging van de verbintenis om bij te dragen in de kosten van het zich verzekeren tegen ziektekosten heeft mogen en kunnen overgaan.
( [7] )Het hof vat het geschil tussen partijen kort aldus samen dat het gaat om de vraag of het Fortis vrijstond om in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 de op dat moment bestaande regeling met betrekking tot de tegemoetkoming in de kosten van de particuliere ziektekostenverzekering voor degenen, die aansluitend aan hun dienstverband bij Fortis vervroegd zijn uitgetreden of met pensioen zijn gegaan, geleidelijk af te bouwen tot nihil zoals zij heeft gedaan (rov. 2). Naar het oordeel van het hof heeft het vóór 1 januari 2006 gedurende vele jaren gevoerde beleid inzake het verstrekken aan gepensioneerden geleid tot een rechtens afdwingbare aanspraak, ter zake waarvan een voorbehoud tot eenzijdige wijziging is gemaakt (rov. 11). Fortis heeft, aldus het hof, niet of althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de gepensioneerden, indien Fortis de regeling niet zou hebben afgebouwd, vanaf 1 januari 2006 in aanmerking zouden zijn gekomen voor continuering van de daarin voorziene premiebijdrage (rov. 8). Tegen deze achtergrond beoordeelt het hof of de wijziging (lees: invoering) van de wettelijke ziektekostenverzekering Fortis, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:248 en 6:258 BW, heeft mogen doen besluiten tot afbouw van de bijdrage zoals zij heeft gedaan (rov. 12). Het hof komt tot de slotsom dat dit niet het geval is, omdat de invoering van de wettelijke ziektekostenverzekering voor Fortis geen verandering bracht in haar verhouding tot de gepensioneerden (rov. 14), zodat hun verlangen van ongewijzigde instandhouding van de regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is (rov. 17). Het door ABN AMRO als rechtsopvolgster van Fortis tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro. Uit de aan het arrest van de Hoge Raad voorafgaande conclusie
( [8] )valt af te leiden dat in cassatie niet het oordeel van het hof in rov. 8 is bestreden dat Fortis niet of althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de gepensioneerden, indien Fortis de regeling niet zou hebben afgebouwd, vanaf 1 januari 2006 in aanmerking zouden zijn gekomen voor continuering van de daarin voorziene premiebijdrage (rov. 8)
( [9] )Omtrent dit laatste bedrag oordeelt het hof in rov. 3.24, voor zover de gepensioneerden al rechten zouden kunnen ontlenen aan de toepasselijke cao:
“De bijdrage van € 360,- valt ruim weg tegen de reeds door de bank aan de gepensio-neerden verstrekte bijdragen op grond van de overgangsregeling zodat er gelet op de door de gepensioneerden voorgestane verrekening geen plaats is voor toewijzing van dit bedrag.”Hiertegen wordt aangevoerd, dat het hof miskent dat de door Fortis getroffen overgangsregeling een zelfstandige verplichting is die los staat van het cao toegekende recht op een bijdrage.
“onder verrekening van hetgeen FBN sinds 1 januari 2006 heeft bijgedragen.”Hiermee wordt door Eisers zelf een verbinding gelegd tussen het beweerde recht uit de cao op uitbetaling van het bedrag van € 360,- in de jaren 2006 en 2007 en de door Fortis getroffen overgangsregeling, in die zin dat hetgeen onder deze regeling aan de gepensioneerden is uitbetaald kan worden verrekend met datgene waarop zij uit hoofde van de cao recht hebben. Dat de verrekening geen betrekking zou hebben op het bedrag van € 360,- is door Eisers niet gesteld, laat staan aangetoond. Dat gaf het hof de ruimte om de meer subsidiaire en nog meer subsidiaire vordering, voor zover die betrekking had op het bedrag van tweemaal € 360,-,
reedsop die grond af te wijzen.