Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
Het geding in cassatie
5.Gewone en fictieve diensten in het richtlijnsysteem
tegen vergoedingeen dienst verricht, ook als de afnemer een personeelslid is, ook als dat personeelslid de betrokken dienst gebruikt voor zijn privédoeleinden, en ook als de vergoeding lager is dan de kostprijs. In dit geval wordt teruggekeerd naar de hoofdregel: heffing over de vergoeding, ook indien ‘te’ laag, en volledige aftrek. [14]
geen werkelijke tegenprestatie wordt ontvangen, gelijk met onder bezwarende titel verrichte goederenleveringen en diensten. Deze bepalingen beogen te verzekeren dat de belastingplichtige die een goed onttrekt
of die een dienst voor privé-doeleinden van hemzelf of van zijn personeel verricht, gelijk wordt behandeld als de eindgebruiker die een goed of dienst van hetzelfde type afneemt(…). Ter verwezenlijking van dit doel verhinderen deze artikelen 5, lid 6, en 6, lid 2, sub a, dat een belastingplichtige die de BTW over de aankoop van een voor zijn bedrijf bestemd goed heeft kunnen aftrekken, geen BTW betaalt wanneer hij dit goed voor privé-doeleinden van hemzelf of van zijn personeel aan zijn bedrijfsvermogen onttrekt, en dus ongerechtvaardigde voordelen geniet in vergelijking met een eindgebruiker die het goed koopt en hierover BTW voldoet (….). Ook artikel 6, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn verhindert dat een belastingplichtige, of diens personeelsleden, een belastingvrijstelling krijgt voor diensten van de belastingplichtige waarover een privé-persoon BTW zou hebben moeten betalen.”
6.Uitsluiting aftrek en vergoeding
nietneergelegd dat uitsluiting van aftrek niet mogelijk zou zijn indien ter zake van het desbetreffende goed of dienst reeds heffing heeft plaatsgevonden. Dat laatste lijkt zich overigens ten aanzien van interne (personeels)diensten – dienstverlening zonder vergoeding dus – op basis van de Tweede richtlijn niet mogelijk te zijn geweest.
kunnen de Lid-Staten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag.”
elkeuitsluiting van aftrek die er op 1 januari 1979 was (en die naar ik meen gebaseerd moet zijn geweest op artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn) mag vooralsnog worden gehandhaafd, óók als die uitsluiting uitgaven betreft met een strikt beroepsmatig karakter, zo volgt uit de rechtspraak van het HvJ [27] (cursivering MvH):
elke uitsluiting’ de uitgaven met een strikt beroepsmatig karakter omvatten. Deze bepaling staat de lidstaten dus toe, nationale bepalingen te handhaven die het recht op aftrek niet alleen uitsluiten voor de BTW inzake vervoermiddelen die voor de belastingplichtige de noodzakelijk uitrusting voor zijn werkzaamheid vormen, doch ook voor de BTW inzake motorvoertuigen die in concreto niet voor privé-doeleinden kunnen worden gebruikt.”
om uitsluitingen van het recht op aftrekdie betrekking hebben op voldoende nauwkeurig bepaalde categorieën uitgaven [33] ,
in hun geheel te handhaven, het de lidstaten ook vrijstaat om te voorzien in een beperking van de reikwijdte van de uitsluiting van het recht op aftrek voor dergelijke categorieën van uitgaven.”