Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
juist nietnodig was om de gemaakte en nog te maken faillissementskosten te dekken. [24] Een dergelijke uitoefening van de door art. 58 Fw Pro gegeven bevoegdheid, waarbij de boedel geen belang heeft, wordt in de literatuur wel als oneigenlijk aangemerkt. [25] Andersom wordt met kennelijke instemming geschreven over verkoop door de curator ex art. 58 Fw Pro in gevallen waarin die verkoop wél (uitsluitend) nodig is om, in het belang van de boedel, (gedeeltelijk) dekking te verkrijgen voor de faillissementskosten. [26] Deze praktijk ondervindt echter ook kritiek. [27]
onderdeel 4.1klaagt [verzoeker] dat de rechtbank in strijd met art. 149 Rv Pro en met miskenning van het partijdebat niet als vaststaande feiten heeft vastgesteld dat (SNS Bank heeft aangegeven dat)
a)SNS Bank tot openbare verkoop zal overgaan indien de termijnstelling onverkort in stand blijft, en
b)zij bij een veiling geen boedelbijdrage zal leveren. Daartoe wordt aangevoerd dat [verzoeker] zich heeft beroepen op e-mailberichten van de bank waaruit een en ander zou volgen en waarvan de curator de inhoud niet heeft weersproken. De curator heeft zelfs erkend dat SNS Bank de aan haar gestelde termijn niet ongebruikt zal laten verlopen, aldus het onderdeel. [29]
nietbinnen de daarvoor gestelde termijn tot verkoop is overgegaan.
na afloop van de gestelde termijnop te eisen en te verkopen – impliceert dat hij de verkoop door SNS Bank van de woning, binnen de gestelde termijn, niet als een vaststaand gegeven beschouwt. Voorts heeft hij in zijn beroepschrift aangegeven weliswaar te verwachten dat de executieveiling zal worden voortgezet, maar voor het geval dat niet gebeurt van oordeel te zijn dat alsnog verkoop door de curator zal dienen plaats te vinden. [32] Ten slotte heeft de curator ter zitting benadrukt dat zijn beroepschrift was opgesteld in de verwachting dat SNS Bank de ingezette veiling zou doorzetten, maar deze inmiddels is ingetrokken. [33]
onderdeel 4.2,
eersteklacht (cassatieverzoekschrift, p. 7), heeft de rechtbank miskend dat eerst de ‘voorvraag’ moet worden beantwoord of de boedel belang heeft bij de termijnstelling ex art. 58 Fw Pro als zodanig. Volgens de klacht viel deze vraag onder het rechtsdebat in hoger beroep. De
tweedeklacht (cassatieverzoekschrift, p. 7) luidt dat de rechtbank heeft miskend dat de vaststaande feiten – waaronder die, bedoeld in onderdeel 4.1 – geen andere conclusie toelaten dan dat die voorvraag ontkennend moet worden beantwoord.
terechtvanuit is gegaan dat de rechtsgeldigheid van de termijnstelling een gepasseerd station was.
curatorbestond in dekking van de faillissementskosten. [36] Het is dáárop dat [verzoeker] aldus heeft gerespondeerd:
bankals separatist, als zijnde een niet adequaat en derhalve niet relevant verweer voorbijgaan. Anders dan in het onderdeel wordt betoogd, maakte het belang van de boedel bij de termijnstelling ex art. 58 Fw Pro als zodanig dan ook geen onderdeel uit van de rechtsstrijd in appel.
eersteklacht is deze overweging onbegrijpelijk, omdat zij in strijd is met de vaststelling in rov. 4.3 dat het verzoek tot ongedaanmaking van de termijnstelling door de rechter-commissaris terecht is uitgelegd als een verzoek om de curator te verbieden na afloop van de gestelde termijn de woning op te eisen en te verkopen. Volgens de klacht heeft de rechter-commissaris dus niet onherroepelijk beslist dat de termijnstelling rechtsgeldig is.
tweedewordt geklaagd dat de rechtbank miskent dat, nu het oorspronkelijke verzoek tot ongedaanmaking van de termijnstelling anders is geïnterpreteerd, (i) dat oorspronkelijke verzoek niet is afgewezen maar – na anders te zijn geïnterpreteerd – de facto is toegewezen, zodat (ii) [verzoeker] niet gehouden was om in hoger beroep een grief te formuleren tegen de afwijzing van “het meer of anders gevorderde”.
onderdeel 4.5niet slagen.