ECLI:NL:PHR:2014:1861
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep belanghebbenden in trust-schenkingsrechtzaak
In deze zaak gaat het om het beroep in cassatie van belanghebbenden tegen het oordeel van het gerechtshof Amsterdam dat zij niet ontvankelijk zijn verklaard in hun beroepen tegen aanslagen schenkingsrecht. De aanslagen waren opgelegd aan de dochter van de oprichter van een trust, die het vermogen onder trustverband had ingebracht. Belanghebbenden voerden aan dat zij als oprichter en de trust zelf wel belanghebbenden zijn.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de aanslagen en de daarop betrekking hebbende voor bezwaar vatbare beschikkingen uitsluitend zijn gericht aan de dochter, die als verkrijger en belastingplichtige geldt. Belanghebbenden konden daarom geen beroep instellen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat op grond van artikel 26a, lid 1, AWR alleen degene tot wie de beschikking is gericht beroep kan instellen.
De Hoge Raad gaat niet in op de toepassing van artikel 26a, lid 2, AWR omdat de vermogensbestanddelen na inbreng tot de dochter behoren voor de Nederlandse belastingheffing. Ook doet het feit dat de schenkingen vrij van recht zijn gedaan niet af aan de tenaamstelling van de aanslagen en beschikkingen. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
De zaak benadrukt het belang van de correcte tenaamstelling van belastingaanslagen en de beperkingen in het instellen van beroep door derden, ook in complexe trustconstructies. Tevens wordt verwezen naar een samenhangende zaak met de dochter als belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbenden wordt ongegrond verklaard en hun beroepen niet-ontvankelijk verklaard.