ECLI:NL:PHR:2014:1821

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2014
Publicatiedatum
7 oktober 2014
Zaaknummer
13/04841
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 427 SvArt. 1 Rijkswet cassatierechtspraak
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens opgelegde geldboete onder drempel in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak is verdachte veroordeeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba tot een geldboete van Afl 450,- wegens overtreding van de Natuurbeschermingsverordening. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van het Europese deel van het Koninkrijk, cassatie tegen arresten betreffende overtredingen niet openstaat indien geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een gezamenlijk maximum van €250. Hoewel het Wetboek van Strafvordering Aruba geen afzonderlijke regeling voor cassatie kent, geldt de Rijkswet cassatierechtspraak die bepaalt dat de Hoge Raad in Antilliaanse zaken overeenkomstig het Europese deel van het Koninkrijk beslist.

De opgelegde boete van Afl 450,- komt, omgerekend naar euro's, neer op circa €102,-, wat onder de cassatiedrempel valt. De Hoge Raad concludeert daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Er is geen ruimte voor toepassing van uitzonderingen die cassatie zonder drempel openstellen bij overtredingen van lagere regelgeving.

Deze uitspraak bevestigt de toepassing van de cassatiedrempel in Antilliaanse strafzaken en sluit cassatieberoep uit bij lage geldboetes, conform de regeling in het Europese deel van het Koninkrijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de opgelegde geldboete onder de wettelijke drempel van €250 ligt.

Conclusie

Nr. 13/04841A
Mr. Aben
Zitting 2 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij strafvonnis van 13 mei 2013 de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 1 van Pro het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 9 van Pro de Natuurbeschermingsverordening, waarbij als middel voor het vangen of doden van dieren, waarvan het onder zich hebben en het gebruik verboden is, worden aangewezen wapens die onder hoofdstuk 93, tariefpost 93.03 van artikel 127a van de Landsverordening in, uit- en doorvoer vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel bestemd zijn dan om in het water levende dieren te doden, strafbaar gesteld bij artikel 19 van Pro de natuurbeschermingsverordening” veroordeeld tot een geldboete van Afl 450,-- (zegge: vierhonderd vijftig Arubaanse florin), subsidiair negen dagen hechtenis.
2. Mr. A.C.G. Bikker, advocaat bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende acht middelen van cassatie. Mr. Bikker heeft ter terechtzitting van de Hoge Raad van 1 juli 2014 het cassatieberoep schriftelijk toegelicht.
3. Ik kom aan een bespreking van de middelen niet toe omdat het cassatieberoep gelet op de opgelegde straf mijns inziens niet-ontvankelijk is. De reden daarvoor betreft een kwestie die, als ik het goed zie, tot mijn verbazing nog niet eerder aan Uw Raad is voorgelegd.
4. Art. 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet van 7 juli 2010, Stb. 339) bepaalt:
“De Hoge Raad der Nederlanden neemt ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij «in het belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.”
5. Art. 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van het Koninkrijk (Sv NL) bepaalt, voor zover hier van belang:
"2. Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open (...) tenzij terzake in de einduitspraak:
a. (...)
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum van EUR 250."
6. In het Wetboek van Strafvordering Aruba is het instellen van cassatieberoep niet afzonderlijk geregeld.
7. Nu de Hoge Raad ingevolge voornoemde Rijkswet, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk kennis neemt van beroep in cassatie, de Rijkswet niet afwijkt van art. 427 Sv Pro NL en in deze zaak een geldboete van Afl 450,-- (gelijk aan € 102,--) [1] is opgelegd, [2] is naar mijn mening het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
8. Nu de overtreden strafbepaling
landelijkeregelgeving betreft, zie ik ook geen ruimte voor toepassing van art. 427, derde lid Sv NL, dat cassatie openstelt zonder een in geld uitgedrukte drempel in geval van overtreding van regelgeving van lagere overheden.
9. Toegegeven zij dat de door mij voorgestane uitleg meebrengt dat de cassatiedrempel in Aruba in zeer beperkte mate aan fluctuatie onderhevig is.
10. Gelet op het voorgaande concludeer ik dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.

Voetnoten

1.Berekend volgens
2.Vgl. niet-ontvankelijkverklaring in een militaire strafzaak in HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6927. Uit J.M. Reijntjes,