Conclusie
1.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
economische positiemoet worden gebracht als vóór de onteigening. De klacht benadrukt dat het uitgangspunt van onteigeningsrecht is dat de onteigende alleen dan wordt gebracht in financiële omstandigheden gelijkwaardig aan die waarin hij zich zonder onteigening zou hebben bevonden indien de
vermogenspositie en inkomenspositievan degene die onteigend wordt door en na de onteigening in beginsel gelijk blijven. Voorts wordt (onder nr. 1.1.2), onder verwijzing naar HR 16 maart 1988, NJ 1989/789 met noot MB [14] geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat niet kan worden volstaan met vergoeding van de stichtingskosten en de gekapitaliseerde financieringsschade, als die benadering ertoe leidt dat de onrendabele top op de investeringen om het vervangende object aan de bedrijfsvoering van [eiseres] aan te passen niet integraal wordt vergoed. De klacht stelt dat als vaststaat dat de investeringen zich niet vertalen in de marktwaarde van het vervangende object, sprake is van een vermogensverlies dat niet geacht wordt te zijn gecompenseerd via de vergoeding van inkomensschade, gekapitaliseerde financieringslasten of hogere afschrijvingskosten. Dat betekent volgens de klacht dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuist criterium door in rov. 2.35 te overwegen:
marktwaardemaar tegen de
vervangingswaarde, te weten “het bedrag dat nodig zou zijn om in de plaats van een actief dat bij de bedrijfsuitoefening is of wordt gebruikt, verbruikt of voortgebracht, een ander actief te verkrijgen of te vervaardigen dat voor de bedrijfsuitoefening een in economisch opzicht gelijke betekenis heeft” (rov. 2.29, derde en vierde volzin van het tussenvonnis van 7 maart 2012 [20] ). Waarom in dit geval het principe geen toepassing kan vinden zet de rechtbank uiteen in de verdere overwegingen van rov. 2.29. Het komt erop neer dat het gaat om een
bedrijfsverplaatsingen dat de stichtingskosten van de vervangende locatie gezien moeten worden als investering in een productiemiddel om daaruit productie en dus rendement te halen, waarmee de stichtingskosten worden terugverdiend. Dit lijkt te impliceren dat bij de vaststelling van een schadeloosstelling op basis van verplaatsing van het door de onteigende partij in het onteigende uitgeoefende bedrijf, in de opvatting van de rechtbank, (in beginsel) geen vergoeding van een onrendabele top kan worden toegekend. Immers in het geval van een bedrijfsverplaatsing zullen de stichtingskosten van de vervangende locatie welhaast per definitie moeten worden gezien als investering in een productiemiddel om daaruit productie en dus rendement te halen waarmee de stichtingskosten worden terugverdiend. En de vervangingswaarde van de aangepaste vervangende bedrijfsruimte zal (in beginsel) welhaast per definitie overeenkomen met de stichtingskosten van die vervangende bedrijfsruimte. De rechtbank volgt overigens op dit punt de visie van de deskundigen, die in een notitie gedateerd 20 januari 2012 [21] klip en klaar tot de conclusie komen “dat de vraag of sprake is van een onrendabele top ten aanzien van de verplaatsing van een bedrijf na onteigening anders beoordeeld moet worden dan bij onteigening van een woonhuis of ander niet bedrijfsmatig onroerend goed. Bij verplaatsing is niet de verkoopwaarde van het bedrijf na verplaatsing relevant maar de vervangingswaarde.”
vermogenspositieis gebracht als voor de onteigening, lijkt mij dat oordeel onjuist, althans berustende op een (onduidelijke en vermoedelijk) onjuiste rechtsopvatting.
de waarde van dit vervangende bedrijf (het totaal van de stichtingskosten) in het commerciële verkeer. Wat betekent dit? De marktwaarde of de vervangingswaarde? Of moet dit worden begrepen als een (hegeliaanse) synthese van de innerlijke tegenstellingen van een begrip in een hogere eenheid? [26] Hier ben ik niet uitgekomen.
De waarde van het onteigendeis geen grootheid waarmee gerekend moet worden ter beantwoording van de vraag of de onteigende vermogensverlies lijdt als gevolg van een onrendabele top. Als Uw Raad nog eens naar mijn rekenvoorbeeld in nr. 3.8 hierboven terugkijkt, zal hij constateren dat daarin de waarde van het onteigende geen rol speelt. Dat is ook heel eenvoudig te verklaren, nu de schadeloosstelling steeds een integrale vergoeding van die waarde (de z.g. “werkelijke waarde” van art. 40b Ow) zal inhouden. Bij de vergelijking van de vermogenspositie van de onteigende voor en na de onteigening zullen dus het onteigende en de vergoeding van de werkelijke waarde daarvan tegen elkaar wegvallen.
eerste klachtvan het middelonderdeel (onder 2.1) houdt in dat de rechtbank door na haar vaststelling dat als gevolg van de hogere afschrijvingslast een nadelig inkomenseffect ontstaat, te oordelen dat dit nadeel niet als inkomensschade voor vergoeding in aanmerking kan komen (tussenvonnis van 20 februari 2013, rov. 2.36), heeft miskend dat schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening volledig dient te worden vergoed (art. 40 Ow Pro).
nadeelzouden moeten of kunnen worden aangemerkt. Afschrijvingen bieden een ondernemer de mogelijkheid de aanschafkosten van bedrijfsmiddelen na die aanschaf in jaarlijkse porties af te trekken van de bedrijfsopbrengsten. Een afschrijving komt in mindering op de winst, maar daarop moet men zich niet blindstaren, want het geldbedrag dat door afschrijving in mindering op de winst komt, is niet weg maar blijft zitten in het ondernemingsvermogen. Per saldo is er zelfs een (fiscaal) voordeel aan de afschrijving verbonden, omdat het betreffende bedrag zonder die afschrijving als winst zou worden belast en dus voor een deel aan de fiscus zou moeten worden afgestaan. Afschrijving biedt de ondernemer dus als het ware de gelegenheid om een deel van zijn winst onbelast aan het ondernemingsvermogen toe te voegen. In het algemeen worden, denk ik, fiscale aftrekposten die het belastbare inkomen of de belastbare winst verlagen, door belastingplichtigen niet aangemerkt als benadelend. Ik voeg hieraan toe dat ook (de belastingkamer van) Uw Raad in zijn arrest van 20 april 1977, NJ 1977/10 (Van Asch/Soest) de als gevolg van de onteigening en bedrijfsverplaatsing eventueel ontstane mogelijkheden van vervroegde afschrijving aanmerkte als
voordelenvoor de onteigende, die bij de bepaling van de schadeloosstelling in beginsel in aanmerking zouden behoren te worden genomen (indien althans verzekerd is dat hij zich die voordelen ook in werkelijkheid zou kunnen verwerven). [32] Het idee van vergoeding van vervroegde afschrijvingen als inkomensschade bij schadeloosstelling op basis van bedrijfsverplaatsing lijkt mij daarom een misvatting. Indien Uw Raad al mocht dubiëren over de vergoeding van de onrendabele top bij bedrijfsverplaatsing, lijkt mij de “vergoeding” van hogere afschrijvingslasten geen aantrekkelijk alternatief.