Conclusie
no cure no payen een
contingency feeredelijk in de zin van art. 6:96 lid 2 BW Pro zijn.
1. Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
subonderdeel 1.ageeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof – kort gezegd – heeft miskend dat:
no cure no payovereenkomst voortvloeiende honorarium niet (of in beginsel niet) hoger mag zijn dan het honorarium dat verschuldigd zou zijn geweest indien de rechtsbijstandverlener zijn werkzaamheden zou hebben verricht op basis van betaling voor de gewerkte uren vermenigvuldigd met een door hem gehanteerd uurtarief;
no cure no payovereenkomst voortvloeiende honorarium het risico is verdisconteerd dat in voorkomend geval geen resultaat zal worden behaald of dat het verschuldigde honorarium hoger of lager is in verhouding tot de verrichte werkzaamheden;
no cure no payovereenkomst te sluiten.
no cure no pay. Varianten van deze afspraak zijn een lagere (
no win less fee) of hogere beloning bij het bereiken van een bepaald resultaat. Ten tweede heeft [eiser] de hoogte van de beloning gerelateerd aan een percentage van het financiële resultaat van de zaak. Voor dit beding, ook wel bekend als
quota pars litis, wordt in de (rechtsvergelijkende) literatuur de term
contingency feegebruikt. Andere mogelijkheden in dit verband zijn het afspreken van een vast bedrag (
flat fee), een vast uurtarief of een afwijkend uurtarief, bijv. met een voorwaardelijke opslag (
success fee) [8] .
no cure no paybeding liggen verschillende overwegingen ten grondslag. De gelaedeerde zal het risico willen afwenden dat hij de zaak verliest en de daarmee gemoeide kosten van rechtsbijstand en van een procedure moet dragen. Dit raakt aan het door onder meer art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de rechter. De rechtsbijstandverlener zal op basis van een inschatting van de winkansen dit risico voor zijn rekening te nemen indien deze verdisconteerd wordt in het bedongen deel van het eventueel behaalde financiële resultaat.
no cure no paymet
contingency feemet de rechtsbijstandverlener is afgesproken, omdat het hiermee gemoeide bedrag slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd via art. 6:96 lid 2 BW Pro [13] .
fee shiftingaangeduid, onder meer tot gevolg heeft dat er meer aan kosten van rechtsbijstand wordt uitgegeven, omdat die kosten niet noodzakelijk door de gelaedeerde worden gedragen en het belang van de rechtsbijstandverlener bij de uitkomst van de zaak bijdraagt aan een hogere uitbetaling bij winst van de zaak. Uit deze en andere bevindingen wordt afgeleid dat het vergoedingsmodel van art. 6:96 lid 2 BW Pro perverse effecten kan hebben. Omdat een belangrijk deel van de door aansprakelijkheidsverzekeraars in letselschadezaken betaalde bedragen uit buitengerechtelijke kosten bestaan, kan dit leiden tot te hoge totale maatschappelijke kosten van schadebehandeling en strategisch gedrag van zowel belangenbehartigers als aansprakelijkheidsverzekeraars, hetgeen de kwaliteit en effectiviteit van de rechtsbedeling in gevaar kan brengen. Hiertegenover staat dat uit voornamelijk theoretische rechtseconomische literatuur kan worden afgeleid dat het ene beloningssysteem niet per definitie beter is dan het andere als het gaat om het geven van prikkels aan advocaten om een zaak zo goed mogelijk af te handelen; een en ander hangt af van de details van de zaak zoals de omvang van het informatieverschil en de succeskansen [15] .
no cure no payen
contingency feesbestaat er in Nederland een groot verschil tussen advocaten en – bijv. – gespecialiseerde letselschadebureaus. Voor in Nederland ingeschreven advocaten [16] , die krachtens art. 46 Advocatenwet Pro (hierna: Advw) [17] onderworpen zijn aan tuchtrechtspraak, geldt een gedragsrechtelijk verbod op de bedingen
no cure no payen
contingency fees(art. 25 Gedragsregels Pro 1992) [18] . Deze gedragsregel vormt een uitdrukking van de norm die naar de heersende opvatting in de kring der advocaten in acht behoort te worden genomen bij de uitoefening van het beroep van advocaat, maar mist de bindende werking die is toegekend aan verordeningen die door het college van afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) worden vastgesteld (art. 28 en Pro 29 Advw) [19] .
no cure no payen
contingency feesin letselschadezaken als een mededingingsbeperking in de zin van artikel 6 Mededingingswet Pro werd gekwalificeerd. Drie dagen ervoor had het Hof van Justitie EG in de zaak
Wouters/NOvA(19 februari 2002, C-309/99) geoordeeld dat een door de Nederlandse Orde van Advocaten vastgestelde verordening die noodzakelijk is voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat kwalificeert als een besluit van een ondernemersvereniging die geen inbreuk maakt op art. 85 lid 1 EG Pro-Verdrag (thans art. 101 VWEU Pro). Om buiten elke twijfel te stellen dat het verbod van gedragsregel 25 gehandhaafd diende te blijven, heeft het college van afgevaardigden van de NOvA niet lang erna de tekst van gedragsregel 25 letterlijk opgenomen in art. 2 van Pro de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel resultaatgerelateerde beloning), die op 2 juli 2002 in werking trad [22] . Gemeend werd dat het mededingingsrecht hiermee buiten de deur kon worden gehouden, omdat art. 30 Advw Pro besluiten van organen van de NOvA blootstelde aan vernietiging bij koninklijk besluit en art. 16 Mededingingswet Pro (Mw) [23] van 1 januari 1998 tot 31 december 2002 mededingingsafspraken die vernietigd kunnen worden vrijstelde van het verbod van art. 6 lid 1 Mw Pro [24] .
contigency feesen
no cure no payin zaken met betrekking tot letsel- en overlijdensschade [25] . De NOvA beoogde met deze wijzigingsverordening te bezien of het wenselijk en mogelijk was tot een versoepeling van het verbod op een resultaatgerelateerde beloning te komen. Bij koninklijk besluit van 9 maart 2005 werd de wijzigingsverordening evenwel vernietigd wegens strijd met het algemeen belang [26] . Blijkens de toelichting van het besluit lijkt de vernietiging vooral te zijn ingegeven door bedenkingen tegen een resultaatgerelateerde beloning bestaande uit een combinatie van
no cure no payen een
contingency fee, omdat deze beloningssystematiek incongruent werd geacht met de onafhankelijke positie en institutionele rol van de advocaat in de Nederlandse rechtsbedeling.
no cure no payen
contingency feeswerden gediend. Volgens de Commissie had resultaatgerelateerde beloning bestaande uit een combinatie van
no cure no payen een
contingency feetot gevolg dat de honorering ondoorzichtiger werd, de informatieachterstand van de cliënt en anderen werd vergroot en de toetsing van de juistheid van de honorering bemoeilijkt werd, waarmee de positie van de client tegenover de rechtsbijstandverlener werd verzwakt. In plaats van voornoemde beloningsbedingen achtte de Commissie het wenselijk bij een eventuele structurele leemte in de toegang tot de rechtsbedeling als experiment tijdelijk
success feestoe te staan, omdat het honorarium dan niet bestaat uit een deel van de opbrengst maar er wel ruimte is voor een resultaatsafhankelijke declaratie op basis van de gewerkte uren, die gespecificeerd moeten worden zodat controle achteraf mogelijk is [28] .
no cure no pay [29] ,zag de Verordening experimenteerbepaling resultaatgerelateerde beloning [30] het licht. Deze verordening trad op 1 januari 2014 in werking en is geldig tot eind 2018. De eerste vier leden van art. 3 van Pro deze verordening luiden als volgt:
contingency feeen
no cure no payin alle landen met uitzondering van Griekenland verboden te zijn. Griekenland onderwerpt de bedingen overigens wel aan strikte voorwaarden en maximeert ze tot een percentage van 20%. Hieraan wordt de gevolgtrekking verbonden dat
contigency feesin de onderzochte landen algemeen onverenigbaar worden geacht met de positie van de advocaat in de rechtspleging [33] .
Succes feeszijn daarentegen in alle landen toegestaan [34] .
indemnity principle, dat inhoudt dat de werkelijk gemaakte kosten van de gelaedeerde in beginsel volledig moeten worden vergoed [35] . Dit leidde tot onwenselijke situaties: gelaedeerden werden niet geprikkeld om de kosten te beperken en de laedens zag zich in voorkomend geval reeds door de hoogte van de
success feesgenoodzaakt te schikken, hoe kansloos de zaak ook was (dit fenomeen wordt ook wel
hijackinggenoemd). Mede om deze redenen heeft het EHRM in zijn arrest van 18 januari 2011 (nr. 39401/04,
MGN Ltd./Verenigd Koninkrijk) geoordeeld dat de verplichting van de laedens om
success feesaan de gelaedeerde te betalen disproportioneel was en een schending van het EVRM oplevert. Met de inwerkingtreding op 1 april 2013 van de
Conditional Fee Agreements Order 2013worden
success fees, behoudens enkele uitzonderingen, niet langer door de verliezende wederpartij betaald, maar door de winnende cliënt vanuit de toegekende schadevergoeding [36] .
no cure no payen een
contingency bedingin voorkomend geval niet gegoten zou kunnen worden in de vorm van andere bedingen, zoals een
flat feein combinatie met een
succes fee. Deze bedingen zijn, anders dan de eerstgenoemde bedingen, in de ons omringende landen toelaatbaar, in Nederland momenteel tentatief in art.3 van Pro de Verordening op de praktijkuitoefening toegestaan en (beter) te specificeren [38] .
gezien het aantal uren van de door [A] verrichte werkzaamheden en het uurtarief, een hogere vergoeding zou moeten betalen dan die in redelijke verhouding staat met de werkelijke kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden van [A]. De deugdelijkheid van dit oordeel is acht ik met het voorgaande voldoende besproken.
no cure no payovereenkomst te sluiten. Het hof heeft hiermee veeleer tot uitdrukking gebracht dat het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter meebrengt dat, wanneer aan de hand van het partijdebat aannemelijk is dat voor de rechtszoekende feitelijk geen andere mogelijkheid heeft opengestaan dan het overeenkomen van resultaatgerelateerde beloningsvormen om zijn rechten geldend te kunnen maken, de rechter hiermee rekening kan houden in het kader van de beoordeling van de redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. ’s Hofs oordeel dat uit hetgeen [eiser] heeft gesteld niet geconcludeerd kon worden deze situatie aan de orde was, is aan de feitenrechter voorbehouden en overigens niet onbegrijpelijk.
.
subonderdeel 2bheeft het hof miskend dat ook indien [A] een hoger uurtarief zou hebben gehanteerd, dit op zichzelf niet kan meebrengen dat een hoger uurtarief niet redelijk zou zijn geweest. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag omdat het hof heeft niet meer of anders heeft geoordeeld dan dat de rechtbank terecht het uurtarief van € 205 respectievelijk € 215 heeft aangehouden ter berekening van de redelijke kosten van de door [A] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.