Conclusie
eerste middelhoudt in dat de afwijzing van een verzoek tot het houden van een foslo-confrontatie onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
In eerste aanleg is kritiek geuit op de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1]. Die kritiek blijft overeind. De verdediging heeft verzocht in een aanvullend proces-verbaal die herkenning 'meer handen en voeten' te geven. Dat is niet gebeurd. Evenwel bevat het dossier camerabeelden en de vraag is wat een dergelijk aanvullend proces-verbaal toevoegt.
De camerabeelden heb ik vorige week ontvangen, met uitzondering van de camerabeelden met betrekking tot het laatste ten laste gelegde feit. Mijn standpunt is dat de verdachte niet herkenbaar is op de camerabeelden. Wel kan ik mij voorstellen dat de advocaat-generaal de verdachte herkent. Als je eenmaal een idee in je hoofd hebt, ligt wishful thinking op de loer. Daarom wil ik voorstellen een foslo-confrontatie te houden, waarbij onafhankelijke personen de camerabeelden te zien krijgen en daarnaast een fotoboek met een foto van mijn cliënt en foto's van personen aan wie het signalement van mijn cliënt voldoen. Zodoende wordt een subjectieve discussie vermeden.
Verbalisant [verbalisant 1] herkent de verdachte ambtshalve. Een foslo-confrontatie heeft dan geen toegevoegde waarde. Daarentegen heeft de waarneming van het hof wel toegevoegde waarde. De verdachte is op de terechtzitting aanwezig en bekeken kan worden of de persoon van de verdachte overeenkomt met de persoon op de camerabeelden. Op die manier kan getoetst worden of de herkenning juist is geweest.
Op het tijdstip 16.49.17 uur en datum 29 juni 2011 is de supermarkt leeg. Op het tijdstip 16.49.32 uur verschijnt een persoon in beeld en op het tijdstip 16.49.33 uur loopt deze persoon van links naar rechts.
Bij herhaling van de beelden is te zien dat het er op lijkt dat de persoon iets onder zijn jas stopt. Bij het verlaten van de ruimte op het tijdstip 16.49.28 uur tilt de persoon zijn jas op en doet die vervolgens weer naar beneden. Op het tijdstip 16.49.15 uur betreedt de persoon de ruimte. Het lijkt een magazijn, waarin een aantal pallets staan.
De persoon op het beeld is voor het hof niet volledig herkenbaar als de verdachte.
Een zekere gelijkenis tussen de persoon op de beelden en de verdachte is waarneembaar. De persoon is evenwel niet met zekerheid herkenbaar als de verdachte. De neus van de persoon op de beelden lijkt anders dan de neus van de verdachte.
De neus wordt vertekend door de beelden.
Op het tijdstip 13.10.40 uur loopt een persoon naar binnen. Op het tijdstip 13.10.45 uur is het beeld te zien dat zojuist is stilgezet.
Enige gelijkenis tussen de persoon op de beelden en de verdachte is wederom waarneembaar, maar van een herkenning is geen sprake.
U deelt mede dat de persoon op de beelden een baardje heeft en vraagt mij of ik in het verleden een baardje had. Ik heb wel eens wat haar laten staan. Ik ben een volwassen man en op zijn tijd laat ik wel eens wat baardhaar groeien. Meestal scheer ik mijn baardhaar. U vraagt mij of ik mijzelf heb herkend op één van de tot nu toe getoonde beelden. Ik heb mijzelf nog niet echt specifiek herkend.
U vraagt mij wat ik met mijn laatst gegeven antwoord bedoel. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 4 heb ik eerder verklaard dat ik lijk op de persoon op de camerabeelden. Dat wil niet zeggen dat ik dat feit heb begaan. Ik zie wel iets, maar ik kan niet met zekerheid zeggen dat ik dat ben. U vraagt mij of ik omstreeks 5 juli 2011 een baardje had. Dat weet ik niet meer. Zo weet ik ook niet meer wat ik gisteren op mijn brood heb gesmeerd.
Een persoon loopt met een medewerker van Block in de richting van de camera. De persoon draagt een wit t-shirt met een print. De kwaliteit van de beelden is niet beter dan de afbeelding onderaan dossierpagina 3029. De beelden geven geen tijdstip weer.
U vraagt mij of ik mijzelf herken als één van de twee personen op de camerabeelden. Ik herken mijzelf niet echt. De persoon op de beelden is donkerder van huidskleur.
U vraagt mij of ik in het verleden een wit t-shirt had gelijk aan het t-shirt dat de persoon op de beelden draagt. Een dergelijk t-shirt heeft in mijn kledingkast gelegen.
U houdt mij voor dat onder meer verbalisant [verbalisant 2] mij herkent op een afbeelding van een pintautomaat van ABN Amro en vraagt mij of ik mijzelf heb herkend op die afbeelding. Nee.
ln mijn dossier is die afbeelding in zwart-wit. De foto op basis waarvan verbalisant [verbalisant 2] cliënt herkent, bevindt zich niet in het dossier. In het dossier bevindt zich wel een foto uit het smoelenboek, maar de vraag is of verbalisant [verbalisant 2] mijn cliënt op basis van die foto heeft herkend.
Ik vraag mij af waar de herkenning op is gebaseerd. Het is een gebrek in dit dossier dat de herkenningen 'handen en voeten' ontbreken.
Gelet op het standpunt van de verdediging dat de herkenningen worden betwist, wens ik uw hof in overweging te geven de verbalisanten op een later moment te horen.
Zojuist zijn de beelden getoond en op die beelden is de verdachte niet volledig herkenbaar. Dan komen we niet toe aan de vraag waarop verbalisanten de herkenningen hebben gebaseerd.
De onderhavige terechtzitting is belangrijk voor wat betreft de weging van de bewijsmiddelen. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten onder 1, 4 primair en 5 eerste en tweede deel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.
Indien uw hof tot het oordeel komt dat de verdachte herkenbaar is op de camerabeelden, dan verzoek ik tot het houden van een foslo-confrontatie.
Na de zin: 'Een en ander ... herinneringsvermogen te voorkomen.’) Niet blijkt hoe verbalisant [verbalisant 1] tot een herkenning is gekomen.
Na de zin: 'Verbalisant [verbalisant 2] stelt ... hier [verdachte] betreft... ') Ik heb gezien dat de persoon zijn jas rechttrekt. De waarneming van verbalisant [verbalisant 2] dat mijn cliënt iets onder zijn jas wegstopt lijkt
wishful thinkingte zijn. De enkele ambtshalve herkenning is onvoldoende.”
De herkenningen
Hierop zijn de herkenningen door de verbalisanten gebaseerd.
Uw gerechtshof kan beoordelen in hoeverre een identificatie mogelijk op basis deze beelden mogelijk is.
De mening vcan de verdediging is dat de beelden onvoldoende duidelijk zijn om zondermeer te kunnen aannemen da het [verdachte] is die te zien is.
Nader onderzoek
Hen dient de vraag te worden voorgelegd of zij dan uit de getoonde foto’s de bewuste persoon op het vertoonde beeldmateriaal kunnen herkennen.
Het onder 1 tenlastegelegde
Deze ambtshalve herkenning is op zichzelf echter onvoldoende betrouwbaar tot een bewezenverklaring te kunnen leiden.
Een en ander is erop gericht om onbewuste sturing van de menselijke geest en het menselijke herinneringsvermogen te voorkomen.
Een mens ziet wat hij wil zien.
Het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Het onder 5 tenlastegelegde.
tweede middelklaagt dat het Hof de oplegging van de vrijheidsstraf onvoldoende heeft gemotiveerd omdat de verdachte op grond van de opheffing van de voorlopige hechtenis door het Hof mocht verwachten dat hem een vrijheidsstraf zou worden opgelegd van een zodanige duur dat deze met inachtneming van het bepaalde in art. 15 lid 1 Sr Pro de duur van de ondergane voorlopige hechtenis niet te boven zou gaan.
derde middelhoudt in dat het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen heeft toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente terwijl die wettelijke rente niet gevorderd is.