ECLI:NL:PHR:2014:1

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 januari 2014
Publicatiedatum
7 januari 2014
Zaaknummer
13/05137
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 282a lid 2 RvArt. 282a lid 5 RvArt. 362 RvArt. 16 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te late betaling griffierecht

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, zoals vereist op grond van art. 282a lid 2 Rv. en art. 362 Rv Pro. Het beroepschrift werd weliswaar op tijd ingediend, maar de betaling van het griffierecht vond pas na de wettelijke termijn plaats.

De man stelde in cassatie dat het hof het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) had geschonden doordat hij niet in de gelegenheid was gesteld zijn ontvankelijkheid te bepleiten voor de volledige meervoudige kamer, maar slechts voor een raadsheer-commissaris. Deze klacht werd verworpen omdat de procedure conform de wettelijke bepalingen (art. 16 lid 5 Rv Pro.) was gevolgd en er geen sprake was van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Het cassatiemiddel bevatte drie onderdelen, waarvan slechts één ontvankelijk werd verklaard, maar ook deze faalde inhoudelijk. De Hoge Raad bevestigde dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid terecht was opgelegd en dat de klachten onvoldoende waren om het cassatieberoep te behandelen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.

Conclusie

Zaak 13/05137
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 3 januari 2014
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de man]
(de man)
tegen
[de vrouw]
(de vrouw)
1. Bij beschikking van 24 juli 2013 is de man door het gerechtshof Den Haag overeenkomstig art. 282a lid 2 Rv. in verbinding met art. 362 Rv Pro. niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep van een door de rechtbank Rotterdam op 16 november 2012 gewezen beschikking, waarbij tussen partijen de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap is vastgesteld.
2. Het hof heeft in rechtsoverweging 1 van de thans bestreden beschikking vastgesteld: dat het beroepschrift is ingediend op 15 februari 2013, dat derhalve op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht uiterlijk 15 maart 2013 op de bankrekening van het hof had dienen te zijn bijgeschreven, dat de griffie van het hof per abuis het beroepschrift aanvankelijk als ingekomen op 18 februari 2013 heeft gestempeld en dat de betaling van het griffierecht eerst op 27 maart 2013, derhalve niet binnen de termijn is ontvangen.
3. Bij brief van 5 april 2013 [1] heeft de griffier van het hof bericht:
“In bovenvermelde zaak heeft u op 18 februari 2013 hoger beroep ingesteld. Daarop is u meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na die datum diende te zijn bijgeschreven op de rekening van het hof. De betaling van het griffierecht is echter niet binnen die termijn ontvangen, maar eerst op 27 maart 2013.
Ingevolge art. 282a, tweede lid, jo362 Rv. leidt deze te late betaling ertoe dat de appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. Het hof is voornemens om op 22 mei 2013 een beschikking van deze inhoud te geven. Mocht u en/of uw cliënt op dat voornemen gehoord willen worden, dan dient u dat schriftelijk en onder opgave van redenen binnen een week na heden te laten weten, waarna een zitting zal worden gepland waarop u en/of uw cliënt – uitsluitend ten aanzien van de ontvankelijkheid in verband met de betaling van het griffierecht – gehoord wordt.”
Vervolgens heeft de griffier van het hof de man bij brief van 5 juni 2013 [2] onder meer bericht:
“Hiermede bericht ik u dat op 28 juni 2013 te 09.00 uur de behandeling van de bovengenoemde zaak zal plaatsvinden voor dit hof.
Ik wijs u er op dat dit een korte behandeling betreft waarin uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal komen. (…)
De namen van de behandelende raadsheren zijn een week voor de zitting telefonisch op te vragen op het bovengenoemde telefoonnummer.
Deze samenstelling is onder voorbehoud, omdat zich altijd nog wijzigingen kunnen voordoen.
Bij de bode kunt u op de dag van de zitting de definitieve samenstelling vernemen.
(…)”
Het hof heeft de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep op genoemde datum ten overstaan van een raadsheer-commissaris mondeling behandeld. Daarbij waren de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw aanwezig.
4. Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 5 en 6 geoordeeld dat de heffing van het griffierecht niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro, voorts dat het feit dat het griffierecht te laat is betaald in onderhavige zaak voor rekening en risico van de man komt en tot slot dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de toepassing van art. 282a, tweede lid, Rv. in samenhang met art. 362 Rv Pro., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat dergelijke omstandigheden het hof ook anderszins niet, althans onvoldoende, zijn gebleken.
5. De man heeft tegen deze beschikking tijdig [3] cassatieberoep ingesteld. Het cassatieverzoekschrift bevat op pagina 1 een voorbehoud tot aanvulling van het cassatieberoep nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hof van 28 juni 2013 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt [4] .
6. Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, waarvan het laatste een op de eerste twee onderdelen voortbouwende klacht behelst.
Kern van
onderdeel Iis dat het hof art. 6 EVRM Pro heeft geschonden omdat het hof de man niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn ontvankelijkheid te bepleiten voor de volledige meervoudige kamer die de bestreden beschikking heeft gewezen nu de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van slechts één van hen als raadsheer-commissaris (die overigens wel de bestreden beschikking heeft meegewezen). Volgens de man blijkt uit de brief van het hof van 5 juni 2013 dat behandeling zou plaatshebben ten overstaan van meerdere rechters.
Onderdeel IIklaagt – zakelijk weergegeven – dat het hof niet heeft gerespondeerd op de in rechtsoverweging 3 vermelde essentiële stellingen van de man.
6. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende.
7. Art. 282a lid 5 Rv. bevat een rechtsmiddelenverbod. Vaste rechtspraak is dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien geklaagd wordt dat de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of bij het nemen van zijn beslissing zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Deze rechtspraak geldt ook voor de uitsluiting van een voorziening tegen het tweede, derde of vierde lid van art. 282a Rv. [5] .
Onderdeel I bevat een dergelijke ‘doorbrekingsklacht’ zodat de man in zoverre ontvankelijk is in cassatie.
8. De klacht faalt evenwel.
Het hof heeft de man in overeenstemming met de beschikking van Uw Raad van 10 februari
2012 [6] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over toepassing van de hardheidsclausule voordat de sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken.
Dat de man niet door de volledige meervoudige kamer is gehoord, maakt niet dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof heeft voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting toepassing gegeven aan het vijfde lid van art. 16 Rv Pro. Dit voorschrift geeft de meervoudige kamer de mogelijkheid te bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel mogelijk uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris.
Vervolgens heeft de meervoudige kamer, onder wie de raadsheer-commissaris die het hoger beroep mondeling heeft behandeld, de bestreden beschikking gewezen.
De inhoud van de brief van 5 juli 2013 doet, wat daarvan verder ook zij, aan het in art. 16 lid 5 Rv Pro. bepaalde niet af. Overigens mist de stelling van de man dat uit de brief van het hof van 5 juni 2013 blijkt dat de behandeling zou plaatshebben ten overstaan van meerdere rechters, feitelijke grondslag. In de brief is vermeld dat de namen van de behandelende raadsheren een week voor de zitting telefonisch kunnen worden opgevraagd, maar dat deze samenstelling onder voorbehoud is omdat zich tot op de dag van de zitting wijzigingen kunnen voordoen.
Uit het proces-verbaal blijkt bovendien dat namens de man geen bezwaar is gemaakt tegen de behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris, zodat in zoverre sprake is van een in cassatie ontoelaatbaar novum [7] .
9. Onderdeel II stuit af op de vaste rechtspraak dat een motiveringsgebrek geen doorbrekingsgrond vormt [8] .
Gelet op het falen van de onderdelen I en II behoeft onderdeel III geen behandeling.
10. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Nr. 26 A-dossier.
2.Nr. 28 A-dossier.
3.Het cassatieverzoekschrift is op 24 oktober 2013 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
4.Bij brief van 4 december 2013 heeft de griffie van de Hoge Raad het proces-verbaal van de zitting van het hof aan de advocaat van de man toegezonden en hem bericht dat hij tot en met 18 december 2013 de gelegenheid had om zijn cassatieverzoekschrift aan te vullen (vgl. HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, (NJ 2006/31), rov. 3.2). Uit informatie van de griffie op 30 december 2013 blijkt dat geen aanvulling op het cassatieberoep is ingekomen.
5.HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (NJ 2012/230), rov. 3.3.
6.HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (NJ 2012/230), rov. 3.4.
7.Vgl. recent HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY1209, (RvdW 2013/98), rov. 3.4.
8.Laatstelijk HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3733, (RvdW 2013/1038), rov. 3.3.