ECLI:NL:PHR:2013:CA3958
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van hoofdelijk bestuurdersaansprakelijkheid bij buitenlandse rechtspersoon-bestuurder
In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag voorgelegd over de toepassing van artikel 2:11 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in een internationale context. De vraag betrof of deze bepaling ook geldt wanneer een Nederlandse rechtspersoon wordt bestuurd door een buitenlandse rechtspersoon, en of de aansprakelijkheid van die buitenlandse rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk rust op de natuurlijke personen die bestuurder zijn van die buitenlandse rechtspersoon.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat deze prejudiciële vraag niet geschikt is voor beantwoording door de Hoge Raad. Hij verwijst daarbij naar een eerder arrest van 18 maart 2011 waarin de Hoge Raad al heeft geoordeeld over de doorwerking van artikel 2:11 BW Pro in internationale verhoudingen. In dat arrest werd bepaald dat Nederlands recht, als incorporatierecht van de Nederlandse vennootschap, de aansprakelijkheid van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder beheerst, maar dat de verhouding tussen die buitenlandse rechtspersoon en haar bestuurders wordt beheerst door het recht van het land van vestiging.
Verder is geoordeeld dat de vraag geen rechtsvraag van algemeen belang is die in talrijke andere zaken speelt, en dat het arrest van 2011 als een 'acte éclairé' kan worden beschouwd, waardoor beantwoording niet nodig is. De conclusie luidt dat de Hoge Raad afziet van beantwoording van de prejudiciële vraag.
Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vraag over de toepassing van artikel 2:11 BW op buitenlandse rechtspersoon-bestuurders.