ECLI:NL:PHR:2013:CA1396
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over geheimhouding tipgeversovereenkomst en informatieplicht belastingplichtigen
De Staat sloot een overeenkomst met een tipgever over informatie over buitenlandse bankrekeningen van Nederlandse belastingplichtigen. De Staat betaalde tipgeld afhankelijk van het achterhaalde belastingbedrag. Op basis van deze informatie legde de Belastingdienst navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op.
Een aantal belastingplichtigen eiste in kort geding volledige, ongecensureerde stukken, inclusief de tipgeversovereenkomst en identiteit van de tipgever, om hun verdediging voor te bereiden. De Staat weigerde dit en vorderde in reconventie dat de belastingplichtigen alsnog aan hun informatieplicht voldeden.
De Hoge Raad concludeert dat het belang van de Staat bij geheimhouding van de tipgever moet wijken voor het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro), maar dat dit niet betekent dat de Staat verplicht is alle gegevens te overleggen in de civiele dwangsomprocedure. De rechter die over de boete beslist moet passende gevolgen verbinden aan niet-overlegging, bijvoorbeeld door procedurele compensatie. De civiele rechter kan de Staat niet dwingen tot volledige openbaarmaking in deze procedure.
De informatieplicht van belastingplichtigen strekt zich uit tot jaren waarvoor navorderingsaanslagen zijn opgelegd en ook tot jaren zonder aangifte. De civiele rechter kan belastingplichtigen onder dwangsom tot nakoming van deze plicht veroordelen. Gebruik van afgedwongen informatie voor bestraffing is aan wettelijke garanties gebonden en moet door de rechter worden gewaarborgd.
De Hoge Raad bevestigt dat de belastingrechter de betrouwbaarheid van de tipgever beoordeelt en dat weigering tot informatieverstrekking gevolgen kan hebben. De procedurele ongelijkheid tussen belastingplichtigen en Belastingdienst wordt erkend, maar het wettelijke systeem biedt hiervoor een eigen regeling.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot volledige openbaarmaking in de civiele procedure af, maar bepaalt dat de fiscale rechter passende gevolgen moet verbinden aan niet-overlegging.