Conclusie
1.Inleiding
Vooraf
pool, volstaan om een fonds aan te nemen, of is een fonds een entiteit die mogelijk zelfs ondernemer is in de zin van artikel 7 Wet Pro OB?
Middel Iis gericht tegen het oordeel van het Hof dat het in de Stichting bijeengebrachte vermogen als een gemeenschappelijk beleggingsfonds is aan te merken. Met name kan de Stichting als beleggersgiro geen vermogen samenvoegen om dit in eigen naam en voor eigen rekening met inachtneming van het beginsel van risicospreiding te (laten) beleggen. In het kader van
middel IIbestrijdt de Staatssecretaris dat een vergunning voor individueel vermogensbeheer ex artikel 2:96 Wft Pro als bijzonder overheidstoezicht kan worden aangemerkt. Deze vergunning en het daarmee verband houdende toezicht betreft alleen de uitvoering van het beheer door belanghebbende en niet het vermogen van de beleggers in de Stichting.
Middel IIIhoudt in dat het Hof geen inzicht verschaft in zijn gedachtegang die kennelijk de conclusie wettigt dat de economische realiteit afwijkt van de bepalingen in diverse contracten. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen administratieve
poolingvan parallelle beleggingen, die in de markt gebruikelijk is, en het samenvoegen van vermogen in een beleggingsfonds ter collectieve belegging.
2.De beleggersgiro
Wat is een beleggersgiro?
Deutsche Bank,waarin het Hof ook overweegt dat gemeenschappelijke beleggingsfondsen hun beleggingen in eigen naam en voor eigen rekening beheren. [24] Dit impliceert dat elke belegger een deelneming in het fonds bezit en niet de beleggingsproducten die het fonds aanhoudt. [25] Aan deze kenmerken voldoen icbe’s en andere fondsen die “dezelfde kenmerken als deze instellingen (icbe’s; CE) vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren”. [26] Om bedoelde vergelijkbaarheid met een icbe te kunnen aannemen, dient een fonds dat niet een icbe is, net als een icbe onder bijzonder overheidstoezicht te staan, zo leert het arrest in de zaak
Fiscale Eenheid X. [27] Als bijzonder overheidstoezicht aanwezig is, is een fonds (in elk geval) vergelijkbaar met een icbe “wanneer personen rechten van deelneming in dat fonds hebben gekocht, het rendement van de aldus gedane belegging afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen door de beheerders van het fonds in de periode waarin zij deze rechten van deelneming aanhielden, en de deelnemers winstgerechtigd zijn of het risico dragen dat verbonden is aan het beheer van het fonds”. [28] De beleggingen van een fonds dat niet een icbe is, mogen overigens ook bestaan uit andere objecten dan financiële instrumenten, zoals onroerend goed. [29]
ATP PensionServicenoemt het dit element bijvoorbeeld wel, maar negeert het vervolgens volkomen dat de individuele deelnemers in een pensioenfonds, over het beheer waarvan het in die zaak gaat, niet deelnemen in het eigen vermogen van het pensioenfonds. [30] De verwijzende rechter spreekt van pensioenspaartegoeden, hetgeen duidt op een vordering op het pensioenfonds. [31] Het Hof van Justitie zelf noemt in het arrest de aanspraken van de (toekomstige) pensioengerechtigden op enig moment ook “schuldvorderingen”. [32] Uiteraard is het ook mogelijk dat ‘recht van deelneming’ in de context van de vrijstelling van btw voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen niet uitsluitend betrekking heeft op het deelnemen in het eigen vermogen van een fonds. [33] Maar als dat zo zou zijn, is het weer opvallend dat het Hof van Justitie in de zaak
Fiscale Eenheid Xwel veel belang lijkt te hechten aan de omstandigheid dat de maatschappijen in kwestie participatiecertificaten hadden uitgegeven. [34]
ATP PensionServicedat het essentiële criterium om een gemeenschappelijk beleggingsfonds te kunnen aannemen is dat “de activa van verschillende begunstigden worden samengevoegd, waardoor het risico van deze begunstigden kan worden gespreid over een aantal effecten.” [35] Het Hof van Justitie houdt in die zaak een dergelijke samenvoeging voor mogelijk, zelfs nu gegeven was dat binnen het fonds regelmatig tegoeden op de individuele pensioenrekeningen werden geadministreerd.
ATP PensionServiceen de andere jurisprudentie mag mijns inziens niet worden afgeleid dat een samenvoeging van activa, economisch risico voor de beleggers, risicospreiding en bijzonder overheidstoezicht steeds voldoende is om beheerdiensten in de vrijstelling te kunnen laten delen. Dat zou ook in strijd zijn met de tekst van artikel 135(1)g Btw-richtlijn. Daaruit volgt dat de samenvoeging moet plaatsvinden in een fonds. Ook ligt het fondsvereiste besloten in de benadering die het Hof van Justitie volgt bij de uitleg van de richtlijnbepaling. Die benadering komt er immers op neer dat een icbe moet worden beheerd dan wel een fonds dat daarmee vergelijkbaar is en daardoor met een icbe concurreert.
BBLheeft het Hof van Justitie voor icbe’s [40] in het algemeen belastingplicht voor de btw aangenomen. [41] In de literatuur wordt verdedigd dat de oorzaak van deze belastingplicht is gelegen in de diensten die icbe’s aan hun participanten verlenen. [42] Vooral de punten 42 en 43 van het arrest in de zaak
BBLzijn van belang:
poolingvan de activa van beleggers, is het denkbaar dat de werkzaamheden van de beheerder niet wezenlijk anders hoeven te zijn ten opzichte van de situatie waarin hij een beleggingsfonds beheert. Ik stel mij tenminste voor dat het beheer van beleggingen voor een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de kern op hetzelfde neerkomt als het beheer van beleggingen voor beleggers in een andersoortige poolingstructuur.
acte clairdat het vrijgestelde beheer betrekking moet hebben op (het vermogen van) een fonds. Bovendien kan de fiscale neutraliteit als uitleggingsbeginsel niet een uitbreiding van de werkingssfeer van een vrijstellingsbepaling rechtvaardigen. [44] En de jurisprudentie van het Hof van Justitie brengt nu eenmaal mee dat op zich identieke (beheer)diensten zijn vrijgesteld of niet naargelang zij betrekking hebben op het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds of niet.
4.Het overheidstoezicht op collectief en individueel vermogensbeheer
De bomen en het bos
5.De voorliggende zaak – bespreking van de middelen
Middel I
het vermogen vande Stichting aangehouden op de Centrale Rekening [voldoet] aan de essentiële kenmerken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds” (cursivering CE). Het vermogen op de centrale rekening is dus naar ’s Hofs oordeel een gemeenschappelijk beleggingsfonds, niet de Stichting of belanghebbende. Tot misverstanden kan echter aanleiding geven dat het Hof eerder in punt 5.8 van zijn uitspraak heeft gesuggereerd dat alleen de Stichting een gemeenschappelijk beleggingsfonds kan zijn: “De stelling van belanghebbende [dat zij een gemeenschappelijk beleggingsfonds beheert; CE] kan dus alleen worden gevolgd als de Stichting (…) kan worden aangemerkt als een fonds dat de zelfde kenmerken vertoont als ICBE’s en dezelfde handelingen verricht of op zijn minst zodanig vergelijkbaar is met deze instellingen dat zij ermee concurreert.” Hierbij sluit dus niet helemaal aan dat het Hof uiteindelijk oordeelt dat het vermogen op de centrale rekening een gemeenschappelijk beleggingsfonds is.
Fiscale Eenheid Xgeschreven dat het bedoelde bijzondere overheidstoezicht dient ter bescherming van beleggers. Ook van het toezicht dat ingevolge de Wft op beleggingsondernemingen als belanghebbende wordt gehouden, kan worden gezegd dat het dient ter bescherming van beleggers. De Hoge Raad heeft verder in de einduitspraak over
Fiscale Eenheid Xoverwogen dat van belang is dat het toezicht vergelijkbaar is met het toezicht waaraan icbe’s zijn onderworpen. [50] Ik meen met het Hof dat de verschillen in het toezicht dat op belanghebbende van toepassing is met het toezicht op (beheerders van) icbe’s niet zodanig zijn, dat van vergelijkbaarheid niet kan worden gesproken.