ECLI:NL:PHR:2013:BZ9953
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep curator inzake vaststelling salaris na vernietiging faillietverklaring
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, ingesteld door de curator tegen een arrest van het gerechtshof dat het faillissement van een partij had vernietigd en het curatorensalaris had vastgesteld. Volgens artikel 15 lid 3 van Pro de Faillissementswet (Fw) staat tegen de vaststelling van het curatorensalaris geen rechtsmiddel open. De curator betwistte dit en stelde dat het cassatieberoep ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad overwoog dat het rechtsmiddelenverbod in artikel 15 lid 3 Fw Pro slechts ziet op de aanvrager van het faillissement en de schuldenaar, en niet op de curator zelf. Hierdoor is het cassatieberoep van de curator ontvankelijk. Vervolgens beoordeelde de Hoge Raad de motivering van het hof bij de vermindering van het curatorensalaris van €16.092,09 naar €10.000,-. Het hof motiveerde deze vermindering met de korte duur en aard van het faillissement, maar gaf onvoldoende duidelijkheid waarom een vermindering van 37,5% gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad concludeerde dat de motivering van het hof onvoldoende was en dat het arrest vernietigd moest worden. De zaak werd terugverwezen voor nadere motivering en beoordeling van het salaris van de curator. Hiermee werd bevestigd dat de curator wel degelijk rechtsmiddelen kan aanwenden tegen beslissingen over zijn salaris, ondanks het algemene rechtsmiddelenverbod in artikel 15 lid 3 Fw Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator is ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende motivering van de salarisvermindering.