ECLI:NL:PHR:2013:BZ8595
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorkoming dubbele belasting op deels hypothecair gefinancierde Zwitserse tweede woning: bruto of netto berekening
De zaak betreft een belanghebbende die in Nederland woont en een tweede woning in Zwitserland bezit, deels gefinancierd met een hypothecaire lening. De kern van het geschil is of de voorkoming van dubbele belasting voor de inkomsten en vermogenswaarde van deze woning bruto of netto moet worden berekend. De belanghebbende vordert voorkoming op basis van de brutowaarde van de woning, terwijl de Staatssecretaris stelt dat de berekening moet plaatsvinden op basis van de nettowaarde, na aftrek van de hypothecaire schuld.
De Rechtbank en het Gerechtshof hebben de belanghebbende in het gelijk gesteld, stellende dat het oude belastingverdrag met Zwitserland geen verwijzing bevat naar nationaal recht voor de berekening van de voorkomingsbreuk en dat het verdrag zelf geen koppeling legt tussen de schuld en de woning. De verdeling van de box 3 grondslag tussen fiscale partners op grond van art. 2.17 Wet IB 2001 werkt volgens hen niet door naar de toepassing van het verdrag.
De Procureur-Generaal concludeert dat het verdrag, dat stamt van vóór het OESO-Modelbelastingverdrag en geen verwijzing bevat naar nationaal recht, autonoom moet worden geïnterpreteerd. Daarbij moet de teller van de voorkomingsbreuk bruto worden bepaald, conform eerdere arresten van de Hoge Raad (HR BNB 1983/205 en HR BNB 2003/48). De noemer moet per box worden berekend en houdt rekening met de verdeling van de box 3 grondslag tussen fiscale partners. De conclusie is dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard en dat de bruto berekening geldt.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de voorkoming van dubbele belasting bruto moet worden berekend zonder aftrek van de hypothecaire schuld.