Belanghebbende beschikte in 2006 over een tweede woning in Zwitserland, gefinancierd met een schuld die volledig aan haar partner werd toegerekend. De vraag was of zij recht had op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de financieringsschuld. De Rechtbank en het Hof hadden de aanslag verminderd en geoordeeld dat de financieringsschuld niet tot haar belastbare inkomen behoorde.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad overwoog dat het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 1951 en het Slotprotocol geen aanknopingspunten bieden om de forfaitaire rente op de financieringsschuld bij belanghebbende te betrekken. De Wet IB 2001, die een forfaitaire bepaling van inkomen uit sparen en beleggen kent, sluit aan bij het systeem van netto-bepaling van inkomen uit onroerende zaken, waarbij de financieringsschuld in mindering wordt gebracht.
De Hoge Raad bevestigde dat de financieringsschuld die aan de partner is toegerekend niet tot het belastbare inkomen van belanghebbende behoort. Bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting kan geen rekening worden gehouden met inkomensbestanddelen die niet in de grondslag van de belastingplichtige zijn begrepen. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.