ECLI:NL:PHR:2013:BZ8588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering Chinese pot in successierecht op basis van latere veilingopbrengst
Op 20 november 2003 overleed de vader van vier erfgenamen die gezamenlijk een Chinese pot (Guan Yuan) erfden. In de successieaangifte werd de pot aanvankelijk laag gewaardeerd, maar bij een veiling in juli 2005 werd de pot verkocht voor circa € 23 miljoen. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op op basis van deze verkoopprijs, terwijl belanghebbenden lagere waarden stelden op grond van taxaties en veilingadviezen.
De Rechtbank en het Hof stelden de waarde op overlijdensdatum vast op € 10 miljoen, waarbij zij de verkoopprijs als uitgangspunt namen en deze terugrekenden met inachtneming van marktontwikkelingen en andere factoren. Belanghebbenden stelden in cassatie dat het Hof ten onrechte de verkoopprijs als basis nam en onvoldoende rekening hield met hun deskundigenrapporten.
De Advocaat-Generaal en Hoge Raad oordeelden dat de waarde in het economische verkeer op het waarderingstijdstip mag worden vastgesteld aan de hand van alle feiten en omstandigheden, ook indien deze pas na dat tijdstip bekend werden, waaronder de gerealiseerde verkoopprijs. De vrije bewijsleer laat de rechter vrij in de waardering van bewijsmiddelen, ook bij unieke kunstvoorwerpen. Het Hof heeft de juiste maatstaven toegepast en voldoende gemotiveerd waarom het de deskundigenrapporten niet volgde. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de waardering van de Chinese pot op € 10 miljoen op overlijdensdatum.