ECLI:NL:PHR:2013:BZ5116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling teruggaaf omzetbelasting bij verbroken fiscale eenheid en tijdigheid verzoeken
Deze zaak betreft verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting die zijn ingediend namens een oorspronkelijke fiscale eenheid waarin een werkmaatschappij facturen had uitgereikt die onbetaald bleven. De werkmaatschappij trad in 2005 uit de fiscale eenheid en vanaf eind 2007 bestond de fiscale eenheid niet meer. De verzoeken om teruggaaf werden in 2007 en 2008 ingediend, maar door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en omdat niet de juiste ondernemer de verzoeken had ingediend.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dit oordeel, waarbij het Hof oordeelde dat de verzoeken te laat waren en dat de werkmaatschappij, niet de oorspronkelijke fiscale eenheid, de verzoeken had moeten indienen. De kernvragen in cassatie zijn of de verzoeken tijdig zijn ingediend en wie gerechtigd is tot teruggaaf.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de verzoeken niet per definitie te laat zijn ingediend, omdat de uiterste termijn ligt bij het tijdvak waarin betaling in rechte niet meer kan worden gevorderd, en dat de ondernemer enige beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van het tijdstip van niet-betaling. Wel oordeelt hij dat bij verbroken fiscale eenheid het recht op teruggaaf toekomt aan het ex-onderdeel van de fiscale eenheid dat civielrechtelijk de vorderingen bezit, hier de werkmaatschappij, en niet aan de oorspronkelijke fiscale eenheid die de verzoeken heeft ingediend.
De conclusie is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard omdat de verzoeken om teruggaaf zijn ingediend door een ondernemer die geen recht op teruggave had, voor zover de verzoeken al tijdig waren ingediend.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat de verzoeken om teruggaaf zijn ingediend door een ondernemer die geen recht op teruggaaf had.