ECLI:NL:PHR:2013:BZ2120

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05505
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 FwArt. 299 FwArt. 351 lid 5 Fw
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsanering wegens niet-nakoming verplichtingen en nieuwe schulden

Bij vonnis van 5 september 2012 heeft de rechtbank Amsterdam de schuldsaneringsregeling van verzoekster beëindigd wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden. Verzoekster verscheen niet bij de zitting, waardoor de tekortkomingen haar werden toegerekend. In hoger beroep heeft het hof dit vonnis op 20 november 2012 bekrachtigd, stellende dat verzoekster structureel onvoldoende aan de boedel heeft afgedragen, nieuwe schulden heeft laten ontstaan zonder realistisch afbetalingsvoorstel, afspraken met de bewindvoerder niet is nagekomen, en haar informatie- en sollicitatieplicht niet heeft vervuld.

Verzoekster kwam met drie middelen in cassatie, waaronder het betwisten van de gehanteerde maatstaf voor bovenmatige schulden en het niet toekennen van gewicht aan haar inkomenssituatie. De klachten richtten zich slechts op het ontstaan van de boedelachterstand en nieuwe schulden; tegen de tekortkomingen in informatie- en sollicitatieplicht werden geen klachten ingediend. De Hoge Raad oordeelt dat deze tekortkomingen de beëindiging zelfstandig kunnen dragen.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. Het cassatieverzoekschrift is tijdig ingediend, maar de klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft gehandhaafd.

Conclusie

12/05505
Mr. L. Timmerman
Parket: 15 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
1. Bij vonnis van 5 september 2012 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van de rechter-commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] beëindigd op de grond dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (zowel de informatie-, inspannings- als afdrachtverplichting) niet naar behoren is nagekomen en een nieuwe bovenmatige schuld heeft laten ontstaan. De rechtbank moest ervan uitgaan dat de genoemde tekortkomingen haar toe te rekenen waren, aangezien [verzoekster] niet ter zitting was verschenen om een verklaring te geven. Nadat [verzoekster] wel bij de mondelinge behandeling in appel was verschenen, heeft het hof bij arrest van 20 november 2012 het vonnis bekrachtigd op de grond dat [verzoekster] (i) vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling structureel onvoldoende aan de boedel heeft afgedragen, (ii) gedurende de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld heeft laten ontstaan, ter zake waarvan ze geen realistisch voorstel tot afbetaling binnen de schuldsaneringstermijn heeft gedaan, (iii) eerdere met de bewindvoerder gemaakte afspraken over onder meer het inlopen van de boedelachterstand niet is nagekomen (rov. 2.3), (iv) de op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen, waardoor de bewindvoerder zijn taak niet naar behoren heeft kunnen uitvoeren (rov. 2.4), en (v) niet aan haar aanvullende sollicitatieplicht heeft voldaan, althans daarvan geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd (rov. 2.5).
2. Hiervan is [verzoekster] tijdig(1) met drie middelen in cassatie gekomen. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de stelling van [verzoekster] dat zij enige tijd geen inkomen heeft gehad. Het tweede middel klaagt dat het hof een verkeerde maatstaf heeft toegepast door niet te toetsen of sprake is van bovenmatige schulden. Volgens het middel zou de wet op zich niet verbieden dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden ontstaan en ook niet voorschrijven dat die nieuwe schulden tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling (volledig) dienen te worden afgelost, waarbij wordt verwezen naar art. 299 Fw Pro. In middel 3 wordt een voorbehoud gemaakt terzake van het proces-verbaal.
3. Het cassatiemiddel richt zich alleen tegen de overwegingen met betrekking tot het ontstaan van de boedelachterstand en de nieuwe schuld. Tegen 's hofs oordeel aangaande het tekortschieten in de informatie- en sollicitatieplicht worden geen klachten gericht. Die tekortkomingen kunnen de tussentijdse beëindiging zelfstandig dragen. Om die reden heeft [verzoekster] geen belang bij behandeling van de klachten. Ten overvloede merk ik op dat de klachten ook bij inhoudelijke beoordeling klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Deze conclusie strekt tot het niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het cassatieverzoekschrift is op 28 november 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.