ECLI:NL:PHR:2013:BZ1472
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoeker, geboren in Nederland in 1950, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1953 emigreerde hij met zijn ouders naar de Verenigde Staten, waar zijn ouders in 1959 het Amerikaanse staatsburgerschap verkregen door naturalisatie.
Verzoeker stelde dat hij het Nederlanderschap had behouden omdat niet was gebleken dat zijn ouders vrijwillig afstand hadden gedaan van hun Nederlandse nationaliteit en dat hij zich na 1990 meerdere malen tot het Nederlandse consulaat had gewend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie waren van mening dat verzoeker het Nederlanderschap had verloren.
De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker als minderjarige het Nederlanderschap verloor op grond van artikel 7 WNI Pro door de naturalisatie van zijn ouders. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het verlies van het Nederlanderschap automatisch plaatsvond bij naturalisatie van de ouders, ongeacht de vraag of dit vrijwillig was. Verzoeker kon zich niet beroepen op latere wetswijzigingen omdat hij het Nederlanderschap reeds in 1959 verloor. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoeker wordt niet erkend als houder van de Nederlandse nationaliteit.