ECLI:NL:PHR:2013:BY7632
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot hoger beroep van bewindvoerder na tussentijdse beëindiging schuldsanering
In deze zaak stond de vraag centraal of een bewindvoerder, die tussentijds was ontslagen, nog bevoegd was om hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van een verzoek tot tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling. De rechtbank had het verzoek van de bewindvoerder afgewezen en haar ontslagen als bewindvoerder, waarna een nieuwe bewindvoerder was benoemd.
Het hof had de bewindvoerder als belanghebbende aangemerkt en haar in hoger beroep ontvangen, maar de Hoge Raad stelde vast dat volgens art. 351 lid 1 Fw Pro slechts twee categorieën rechtssubjecten toegang hebben tot hoger beroep: de schuldenaar en degene die het verzoek tot beëindiging heeft gedaan. De bewindvoerder viel hier niet onder na haar ontslag.
De Hoge Raad verwees naar vaste rechtspraak dat het recht tot het instellen van rechtsmiddelen alleen toekomt aan degene die in de vorige instantie als partij in een bepaalde hoedanigheid is opgetreden. Verliest men die hoedanigheid, dan vervalt ook het recht tot beroep. Dit betekent dat de ontslagen bewindvoerder niet ontvankelijk is in het hoger beroep.
De Hoge Raad concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof en benadrukte dat alleen de nieuwe bewindvoerder hoger beroep had kunnen instellen. De bedreiging van de bewindvoerder door de schuldenaar kan echter nog wel worden betrokken bij toekomstige beslissingen over de schuldsanering.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep van de ontslagen bewindvoerder niet-ontvankelijk wegens verlies van hoedanigheid.