ECLI:NL:PHR:2013:BY1879
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling draagkracht vader voor kinderalimentatie na faillissement en inkomensvermindering
De zaak betreft een kinderalimentatiegeschil tussen de moeder en vader van een minderjarige dochter. De moeder vordert een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding. De vader voert aan onvoldoende draagkracht te hebben vanwege het faillissement van zijn vennootschap en een lager inkomen sinds april 2009.
De rechtbank stelde een alimentatiebijdrage vast, maar het hof vernietigde dit en wees het verzoek af wegens ontoereikende draagkracht van de vader. Het hof hield rekening met het beperkte inkomen van de vader, inclusief een deeltijdbaan met een bruto salaris van € 2.000 per maand vanaf april 2011, en de huurlasten.
De moeder stelde cassatie in en betoogde dat het hof onjuist was uitgegaan van het inkomen in 2009 en onvoldoende rekening had gehouden met de redelijke verdiencapaciteit van de vader. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de kasopnamen niet als loon heeft meegeteld en dat het hof de draagkracht juist heeft vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens en omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de draagkrachtbepaling niet alleen het feitelijk genoten inkomen telt, maar ook het inkomen dat redelijkerwijs in de nabije toekomst kan worden verworven. Daarbij moet worden beoordeeld of de onderhoudsplichtige de inkomensvermindering zelf heeft veroorzaakt en of het redelijk is dat hij dit herstel nastreeft. Het hof heeft dit zorgvuldig gedaan en de klachten van de moeder faalden.
Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof blijft staan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.