ECLI:NL:PHR:2013:BV1426
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van renteaftrek en zakelijke overwegingen bij concernfinanciering in vennootschapsbelasting
De zaak betreft de vraag of de door belanghebbende verlangde renteaftrek op leningen van een verbonden lichaam wordt beperkt door artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Belanghebbende had in 2001 een verliesvaststellingsbeschikking ontvangen waarbij de renteaftrek deels werd geweigerd. De Rechtbank had de renteaftrek grotendeels toegestaan, maar het Hof Amsterdam stelde vast dat de renteaftrek vanaf 21 februari 2001 niet toegestaan was omdat de lening verband hield met een winstuitdeling aan een verbonden lichaam.
Het Hof legde de bewijslast bij belanghebbende om aannemelijk te maken dat aan de lening en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. Belanghebbende slaagde hier niet in. Het Hof oordeelde verder dat de regeling, hoewel belemmerend voor de vrijheid van vestiging, gerechtvaardigd was door de noodzaak van misbruikbestrijding en dat de regeling voorzien is van een adequate tegenbewijsmogelijkheid.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 10a Wet Vpb een codificatie is van de fraus legis jurisprudentie en dat een dubbele zakelijkheidstoets geldt: zowel de lening als de rechtshandeling moeten in overwegende mate zakelijke motieven hebben. Fiscale motieven mogen slechts een bijkomstige rol spelen. De regeling wijkt af van de klassieke bewijslastverdeling door de bewijslast bij de belastingplichtige te leggen. Verder wordt bevestigd dat de regeling niet in strijd is met het EU-recht, omdat zij zich richt op het bestrijden van misbruik en voorzien is van een tegenbewijsregeling. De Hoge Raad benadrukt dat ook bij zakelijke einddoelen afzonderlijke transacties kunnen worden getoetst op hun fiscale motieven, waarbij kunstmatige constructies worden uitgesloten.
De conclusie bevat een uitgebreide bespreking van de parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur over de toepassing van artikel 10a Wet Vpb, de betekenis van zakelijke overwegingen, en de verhouding tot het EU-recht. De regeling is bedoeld om winstdrainage via renteaftrek te bestrijden, waarbij de belastingplichtige moet aantonen dat de lening en de rechtshandeling niet hoofdzakelijk fiscaal gemotiveerd zijn. De Hoge Raad bevestigt dat de regeling proportioneel is en het beginsel van misbruik van recht respecteert.
Uitkomst: De renteaftrek op leningen die verband houden met winstuitdelingen aan verbonden lichamen wordt beperkt op grond van artikel 10a Wet Vpb, waarbij belanghebbende niet is geslaagd in het leveren van het vereiste tegenbewijs.