ECLI:NL:PHR:2013:953

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2013
Publicatiedatum
14 oktober 2013
Zaaknummer
13/03376
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 lid 2 BWArt. 80a lid 1 ROArt. 6 EVRMArt. 47 EU HandvestArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting huurovereenkomst na overlijden hoofdhuurder en ontruiming woning

In deze zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomst van een woning voortduurt na het overlijden van de hoofdhuurder en of de eiser, zoon van de overleden huurder, aanspraak kon maken op voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

De rechtbank en het hof Arnhem-Leeuwarden hadden geoordeeld dat de huurovereenkomst niet voortduurt en dat de eiser de woning binnen twee maanden na onherroepelijk worden van het arrest moest ontruimen. Het cassatieberoep richtte zich tegen dit oordeel, met name over de toepassing van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het EU-Handvest.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende feitelijke grondslag hadden en niet voldeden aan de eis van bepaaldheid. Ook werd geoordeeld dat het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard op grond van artikel 80a RO. Daarmee bleef het arrest van het hof in stand en werd bevestigd dat de huurovereenkomst niet automatisch voortduurt na het overlijden van de hoofdhuurder.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en de ontruiming van de woning werd bevestigd.

Conclusie

Rolnr. 13/03376
Mr M.H. Wissink
Zitting: 4 oktober 2013
Conclusie in de zaak van:

[eiser],

wonend te [woonplaats],
eiser in cassatie,
tegen

Stichting Sité Woondiensten,

gevestigd te Doetinchem,
verweerster in cassatie
1.
Het bij dagvaarding van 1 juli 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, [eiser] veroordeeld om de door zijn (in 2011 overleden) moeder van verweerster gehuurde woning te ontruimen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van zijn arrest. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2.
Het middel verwijt in
onderdeel 1het hof de reikwijdte van de in het petitum neergelegde vordering te hebben miskend, waardoor art. 6 EVRM Pro en art. 47 EU Pro Handvest zouden zijn geschonden. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv Pro – niet wordt onderbouwd waarom deze bepalingen door de beslissing van het hof zijn geschonden [1] – mist de klacht feitelijke grondslag. Het middel stelt dat de vordering impliceert dat [eiser] al huurder was geworden, [2] maar uit de beschikbare stukken blijkt duidelijk dat de zaak berust op de grondslag dat [eiser] geen huurder was en dit op grond van art. 7:268 lid 2 BW Pro wilde worden. [3]
Hierop strandt ook de klacht van
onderdeel 2dat het hof ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een ongeoorloofde inmenging in het huurrecht van [eiser] als bedoeld in art. 1 Eerste Pro Protocol.
De klacht van
onderdeel 3dat “de bewezenverklaring” onjuist en onbegrijpelijk is gelet op EHRM 12 december 2006 (Burden and Burden v. UK) [4] strandt eveneens op de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
3.
Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie o.m. HR 5 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.
2.De verwijzing in het onderdeel naar de inleidende dagvaarding heb ik niet kunnen nagaan, nu deze in het dossier ontbreekt. In cassatie is overgelegd het zaaksdossier en niet alleen de processtukken. Daarin ontbreken diverse processtukken zoals de inleidende dagvaarding (behalve in concept) en alle stukken van het hoger beroep.
3.Zie naast de bestreden overwegingen van het hof ook rov. 2.1, 2.2 en 3.1 van het vonnis van de rechtbank Zutphen, sector Kanton, locatie Oude IJsselstreek van 9 februari 2012.
4.Naar ik aanneem wordt verwezen naar EHRM (Vierde Kamer) 12 december 2006. Deze zaak, die ziet op de behandeling van samenwonende zusters in het kader van een belasting op erfenissen, is nadien beoordeeld door EHRM (Grote Kamer) 29 april 2008, zaak 13378/05, ECLI:NL:XX:2008:BD3989, NJ 2008/306 m.nt. E.A. Alkema.