Conclusie
(…)
De raadsvrouw heeft gesteld dat geen bewijs voorhanden is dat verdachte in werkelijkheid [betrokkene 1] is. [1] Nimmer is gebleken en niet kan worden geverifieerd dat de vingerafdrukken van [betrokkene 1] en [verdachte] identiek zijn.
Uit voornoemd onderzoek blijkt dat verdachte nimmer documenten of informatie heeft verstrekt die tot vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit hebben geleid. Verdachte heeft op 15 augustus 2008 zijn medewerking verleend aan de vervaardiging van een dactyloscopisch signalement.
Op chronologische volgorde is het dactyloscopisch signalement van de vreemdeling als volgt geregistreerd:
(volgen 23 dagen waarop dactyloscopisch onderzoek is gedaan, met een variatie van vier daarbij opgegeven namen; na 30 augustus 2004 alleen die waaronder verdachte in deze zaak terechtstaat, NJ).
Op 30 september 2008 is verdachte gehoord door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Verdachte verklaart op de vraag "Kent u ene [betrokkene 2] uit [woonplaats]?:"Ja, dat is een jeugdvriend van mij vanuit Suriname."
bij de Hoge Raad der Nederlanden