ECLI:NL:PHR:2013:2589
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en correctie van ontnemingsbedrag bij diefstal met geweld
In deze zaak gaat het om de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene na een diefstal met geweld, waarbij een kluis met €40.000,- werd gestolen. Het hof stelde het voordeel vast op €13.500,- en legde betrokkene op dit bedrag aan de Staat te betalen.
Betrokkene stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof dat slechts een deel van de aan benadeelde derden toegekende materiële schade in mindering werd gebracht op het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad overweegt dat ingevolge art. 36e, achtste lid Sr, de rechter de aan benadeelde derden toegekende vorderingen in mindering moet brengen op het geschatte voordeel.
De Hoge Raad constateert dat het hof zonder nadere motivering slechts €4.000,- van de materiële schade in mindering bracht, terwijl het totaal aan toegekende materiële schade €6.097,92 bedroeg. De Hoge Raad acht het middel gegrond en stelt dat het resterende bedrag alsnog in mindering moet worden gebracht, waardoor het ontnemingsbedrag wordt aangepast naar €12.713,28.
De conclusie leidt tot vernietiging van het bestreden arrest en een nieuwe beslissing op basis van art. 440 Sv Pro. De zaak benadrukt het belang van een volledige en correcte verrekening van aan benadeelde derden toegekende materiële schade bij de vaststelling van ontnemingsbedragen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en past ontnemingsbedrag aan tot €12.713,28 met volledige verrekening van materiële schade.