Conclusie
eerste middelklaagt erover dat het Hof het door de verdachte – die niet werd bijgestaan door een raadsman – ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer aangaande de Wet openbaarheid van bestuur had moeten opvatten als een verzoek om “onderzoek te doen verrichten in de vorm van een getuigenverhoor van de bij de afspraken met verzoeker en/of de bij de opstelling of uitvoering van de schriftelijk vastgelegde afspraken betrokken personen” naar de stelling dat de verdachte mondeling een beroep had gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur.
tweede middelklaagt over de motivering van ’s Hofs afwijzing van het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 gevoerde verweer dat de door hem geopenbaarde informatie niet onder enige geheimhoudingsplicht viel omdat de verdachte die informatie had verkregen naar aanleiding van een mondeling beroep op de Wob.
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
derde middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de door de verdachte in de vragen 52 en 53 van bijlage 1 bij de brief van 21 september 2009 bekend gemaakte informatie niet geheim was omdat niet een geheimhoudingsplicht ex art. 25 Gemeentewet Pro tot stand was gekomen, althans de verdachte niet bewust kon zijn van het geheime dan wel vertrouwelijke karakter van deze stukken.
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
vierde middelklaagt over ’s Hofs verwerping van het verweer dat geen sprake was van een opgelegde geheimhoudingsplicht omdat de gemeenteraad deze nimmer had bekrachtigd ex art. 25, derde lid, Gemeentewet.
vijfde en tevens laatste middelklaagt dat art. 10 Wob Pro en art. 10 EVRM Pro zijn geschonden, nu de door de verdachte geopenbaarde informatie waarop de tenlastelegging ziet geen informatie is, waarvan de bescherming zodanig noodzakelijk is in een democratische rechtstaat dat het recht op vrije meningsuiting daarvoor kan worden beperkt.