Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake opzettelijke schending van een ambtsgeheim, zoals bedoeld in artikel 272 Sr Pro. De advocaat van de verdachte diende middelen van cassatie in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De raadsman reageerde schriftelijk hierop.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat gezien artikel 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nodig was omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaak gaven.
Hierop werd het beroep verworpen. Het arrest werd gewezen door de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan (voorzitter), W.F. Groos en V. van den Brink, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 18 februari 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.