Conclusie
4.Het eerste middel
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeelde verdachte op 10 oktober 2012 tot negen jaar en negen maanden gevangenisstraf wegens doodslag en legde een betalingsverplichting op aan verdachte ten gunste van de benadeelde partij. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die op 5 november 2013 uitspraak deed.
De verdediging stelde onder meer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege ongeoorloofde contacten tussen de officier van justitie en een lid van de meervoudige kamer, waarbij een getuige schriftelijk werd benaderd zonder medeweten van de verdediging. Het Hof oordeelde dat hoewel deze gedragslijn onjuist was, er geen sprake was van bewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en dat het recht op een eerlijk proces niet onherstelbaar was geschaad.
Daarnaast wees het Hof het verzoek van de verdediging af om bepaalde rechters en een griffier als getuigen te horen, vanwege het raadkamergeheim dat dergelijke verklaringen verbiedt. Verdachte klaagde ook over de niet-ondertekende proces-verbaal van een zitting, maar dit werd niet als relevant beoordeeld omdat de zaak later opnieuw werd aangevangen.
Ten slotte werd geklaagd over overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad, maar dit werd gecompenseerd door de totale duur van de cassatieprocedure. Alle middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het Hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Hof wordt bevestigd.