Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in een strafzaak. De Hoge Raad ontving de middelen van cassatie en de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het beroep adviseerde.
De eerste drie middelen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het vierde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot dat dit aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De straf werd verminderd van negen jaren en negen maanden naar negen jaren en acht maanden.
De rest van het beroep werd verworpen en de overige onderdelen van het arrest van het hof bleven in stand. De uitspraak werd gedaan door raadsheer J. de Hullu als voorzitter, samen met raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen jaren en negen maanden naar negen jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.