Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd een keuze te maken tussen opzettelijk witwassen (art. 420bis Sr) en schuldwitwassen (art. 420quater).
geweten, althans tenminste willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard”, alsmede gelet op het feit dat het Hof (ii) het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als witwassen en niet als schuldwitwassen, en tenslotte (iii) onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” art. 420bis Sr en niet (ook) art. 420quater Sr heeft aangehaald, leid ik af dat het Hof kennelijk opzettelijk witwassen voor ogen had en zodoende als gevolg van een kennelijke misslag heeft nagelaten de woorden “althans redelijkerwijs moest vermoeden” in de bewezenverklaring door te strepen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen zodat aan de klacht de feitelijke grondslag komt te ontvallen.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zoveel geld bij zich had omdat hij voornemens was een Opel Insigma [1] te kopen, maar die auto bleek, toen hij bij de particuliere verkoper kwam, al verkocht. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in België en Duitsland auto’s koopt die hij via Nederland verscheept en dat dit verschepen loopt via [A] in Rotterdam, alwaar een zekere [betrokkene] zijn contactpersoon is. Daarnaast heeft de verdachte stukken overgelegd die de gestelde handel in auto’s zouden moeten staven en waaruit ook de herkomst van het in beslag genomen geld zou moeten blijken. Door de raadsvrouw is ter terechtzitting is hoger beroep nog aangevoerd dat de verdachte aangifte bij de belasting heeft gedaan van zijn inkomsten. Echter zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de door de verdachte gestelde inkomsten aan de belasting zijn opgegeven, zodat het hof het ervoor houdt dat dit, anders dan door de raadsvrouw is aangevoerd, niet is gebeurd. Bij dit oordeel speelt de inhoud van het proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek [verdachte] van 22 december 2010 van de Korps Politie Curaçao, waaruit blijkt dat noch bij de belastingdienst te Curaçao noch bij de Sociale Verzekeringsbank aldaar enige informatie omtrent het inkomen of het vermogen van de verdachte bekend is, een belangrijke rol.
Het hof is van oordeel dat de verdachte de legale herkomst van dit geld en de bestemming ervan onvoldoende heeft aangetoond. De stelling dat het geld afkomstig is uit de handel in auto’s is door het overleggen van stukken betreffende het bezit van een autoverhuurbedrijf en een lijst van op de naam van de verdachte gestelde auto's niet aannemelijk geworden. Dat het geld ook zou zijn verworven door het werk als free-lance lasser is in het geheel niet gestaafd. Tenslotte is wel aangetoond dat de verdachte erfgenaam was en in 2004 grond heeft verkocht, maar van een verband met het thans in beslag genomen geld is niets gebleken. De verdachte heeft nog gesteld dat een gedeelte van € 1.500,- van het in beslag genomen bedrag een bijdrage was van zijn zuster aan de organisatie van een feest voor hun vader op de Antillen. Uit de overgelegde bankafschriften is wel aannemelijk geworden dat de zuster in Rotterdam op verschillende data begin juli geld heeft opgenomen, maar dat zij een deel van dat geld vervolgens aan de verdachte heeft overhandigd is niet aannemelijk geworden, evenmin als het gestelde feest.
Datzelfde geldt ook voor de stelling van de verdachte dat hij met het geld een auto had willen kopen welke reeds verkocht bleek te zijn, nu de verdachte niet duidelijk heeft kunnen maken hoe hij wist dat een particulier een auto te koop aanbood en zelfs de naam of het adres van die particulier niet heeft kunnen noemen. Voor het aannemelijk maken van de gestelde regelmatige verscheping van auto’s vanuit Rotterdam naar Curaçao is het overleggen van een visitekaartje van een transportbedrijf in Rotterdam, zoals de verdachte heeft gedaan, onvoldoende. Daarbij heeft het hof nog acht geslagen op hetgeen vermeld staat op blz. 4 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank:
"Verdachte heeft het laatst in 2008 gehandeld in auto’s."
derde middelklaagt dat het Hof het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van een zekere getuige [betrokkene], werkzaam bij het transportbedrijf, ten onrechte, althans op onbegrijpelijk wijze heeft afgewezen.
vierde middelklaagt dat het Hof ten aanzien van feit 3 heeft miskend dat niet elk voorhanden hebben van een voorwerp een gedraging inhoudt die als een vorm van witwassen kan worden gekwalificeerd, althans dat het oordeel van het Hof dienaangaande ontoereikend is gemotiveerd.
bij de Hoge Raad der Nederlanden