Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
naar omstandighedenjuist
gelijkebehandeling (bewijsrechtelijke ongelijkheid evenredig aan de feitelijke ongelijkheid in situatie).
2.De feiten
sic; PJW] gekwalificeerd. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 14bis, lid 2 Verordening (EEG) nr. 1408/71 uitsluitend de Belgische sociale wetgeving van toepassing is.”
besluit 1) de belanghebbende bericht dat de Nederlandse sociale wetgeving vanaf 14 mei 1971 niet op hem van toepassing is geweest. Besluit 1 vermeldt over de loonbelasting- en inhoudingsplicht in Nederland:
besluit 2) de toekenning van ouderdomspensioen aan de belanghebbende opnieuw herzien, en nu bepaald op 36%:
besluit 3) heeft het Kantoor Verzekeringen van de SVB de vier in onderdeel 2.12 genoemde E 104-verklaringen ingetrokken voor zover zij zien op de perioden 1 april 1971 - 1 oktober 1980 en 1 januari 1986 - 27 april 2009.
3.Het geding in de feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
nietverzekerd zijn ingevolge art. 6a(b) AOW, terwijl niet-ingezetenen ex art. 6a(a) AOW moeten aantonen dat zij wél verzekerd zijn door te bewijzen dat zij in Nederland arbeid verricht(t)en.
5.Wet- en regelgeving
Verordening (EEG) nr. 1408/71
curs. in origineel): [32]
Eerste lid, onder b.Het eerste lid onder
bstrekt er toe werknemers, die buiten Nederland wonen, doch hier te lande in dienstbetrekking werkzaam zijn, in de verzekering op te nemen. In het bijzonder geldt het hier de in ons land werkzame grensarbeiders. Zoals aan het slot van Hoofdstuk III van het algemeen deel dezer memorie reeds is vermeld, noopt de internationaal algemeen aanvaarde regel, dat een loontrekkende verzekerd is ingevolge de wetgeving van het land, waar hij werkzaam is, ertoe, deze groep loontrekkenden in de verzekering te betrekken. Ook ter vermijding van ongelijke concurrentieverhoudingen is dit gewenst.
b, enerzijds door het vereiste van het onderworpen zijn aan de loonbelasting, anderzijds door het woord “dienstbetrekking", aansluiting gezocht bij de terminologie van de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting 1940. Van onderworpen zijn aan de loonbelasting is ook sprake, wanneer ten aanzien van een loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter voorkoming van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft.
grondbegrip“dienstbetrekking" met het Besluit op de Loonbelasting 1940 gemeen heeft. De in dat Besluit genoemde gevallen, waarin men steeds
geachtwordt zijn arbeid in dienstbetrekking te verrichten, zijn in dit wetsontwerp niet overgenomen.
b,van het Besluit op de Loonbelasting 1940, dat aan de loonbelasting onderworpen zijn de niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van vennootschappen, verenigingen, en maatschappijen, welke binnen het Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid van meergenoemd Besluit bepaalt, dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en andere rechtspersonen, steeds geacht worden hun arbeid als zodanig in dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde personen is voor de loonbelastingheffing derhalve niet vereist, dat zij in feite in dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze niet in dienstbetrekking werkzaam zouden zijn, toch onderworpen aan de loonbelasting. Artikel 6, eerste lid, onder
b,van het onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan op hen van toepassing, indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar is.
“vroegerverrichte arbeid" niet is overgenomen, zodat het in artikel 6, eerste lid, onder
b,van het wetsontwerp bepaalde zich niet uitstrekt tot degenen, die terzake van vroeger binnen het Rijk verrichte arbeid pensioen genieten.
6.Jurisprudentie
Jurisprudentie van het HvJ EG en het EHRM
Coonan [34] moest het HvJ EG beoordelen “onder welke voorwaarde een onderdaan van een Lid-Staat moet of kan zijn aangesloten bij een stelsel van sociale zekerheid van een andere Lid-Staat waar hij arbeid in loondienst verricht”. Het HvJ overwoog - onder verwijzing naar de definitie van “werknemer” in art. 1(a) Vo 1408/71 en naar het beginsel van gelijke behandeling van onderdanen en niet-onderdanen in art. 3 Vo Pro 1408/71 [35] - dat het:
De Jaeck [38] betrof een inwoner van België, directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV waarvoor hij twee dagen per week in Nederland als werknemer werkte, en daarnaast, niet in loondienst, in België werkte. Hij was voor zijn in Nederland verrichte arbeid aan loonbelasting onderworpen. Het Hof Den Bosch had geoordeeld dat hij in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot zijn BV stond en daarom voor de volksverzekeringen verzekerd en premieplichtig was. U stelde het HvJ EG onder meer de vraag of het begrip “in loondienst” in artt. 14 bis en 14 quater Vo 1408/71 ook de arbeidsverhouding tussen een DGA en ‘zijn’ vennootschap omvat. Het HvJ EG overwoog:
Hervein I [41] , van dezelfde datum als
De Jaeck, betrof twee in Frankrijk wonende Fransen die gelijktijdig bestuurder waren van in Frankrijk en in België gevestigde vennootschappen. Zij waren in België verzekerd als zelfstandigen en in Frankrijk als werknemers. Op hen was art. 14 quater Pro(b) Vo 1408/71 van toepassing. Het HvJ werd de vraag voorgelegd hoe de begrippen “werkzaamheden in loondienst” en "werkzaamheden anders dan in loondienst” in Titel II van Vo 1408/71 moeten worden uitgelegd. Het HvJ overwoog dat bij uitlegging van gemeenschapsrecht niet alleen grammaticaal maar ook contextueel en teleologisch kan worden geïnterpreteerd (r.o. 15 -17), en vervolgde:
Hervein Ien
De Jaeckgeconcludeerd dat ambtshalve voor recht zou moeten worden verklaard dat art. 14 quater Pro(b) in strijd was met art. 48 en Pro 52 EG-Verdrag (vrij verkeer van werknemers) en daarom onverbindend, nu toepassing van art. 14 quater Pro(b) Vo 1408/71 ongunstiger kon uitpakken dan onderworpenheid - volgens de exclusiviteitsregel - aan de wetgeving van slechts één Lid-Staat. Deze onzekerheid over de sociale-zekerheidspositie was volgens hem een belemmering om als werknemer in een andere Lid-Staat aan de slag te gaan. Het HvJ ging in
Hervein Iaan dit punt voorbij, maar de verwijzende nationale rechter legde het punt alsnog prejudicieel aan het HvJ voor. De A-G Jacobs was het in die vervolgzaak
Hervein IImet zijn collega Ruiz-Jarabo Colomer eens. Het HvJ zag in
Hervein II [42] echter geen strijd van secundair met primair EG-recht, mits tegenover een nationale premie- of bijdragebetaling een prestatie in de vorm van recht op sociale zekerheid staat:
Moskal v. Poland [44] betrof een Poolse vrouw die vanaf 1 september 2001 op aanvraag een vroegpensioenuitkering (een EWK-pensioen) voor onbepaalde tijd was toegekend om voor haar ernstig zieke zoontje te zorgen. Na tien maanden werd het EWK-pensioen ingetrokken omdat op het moment van toekenning niet aan de voorwaarde was voldaan dat het zoontje zo ziek was dat hij permanente verzorging nodig had. Het reeds ontvangen EWK-pensioen hoefde niet te worden terugbetaald, maar een nieuwe lagere uitkering werd uiteindelijk pas drie jaar later toegekend en deze uitkering bedroeg ongeveer de helft van het EWK-pensioen. Moskal klaagde onder meer dat de intrekking van het EWK-pensioen een ongeoorloofde inbreuk was op haar eigendomsgrondrecht (art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM), te meer nu zij er op mocht vertrouwen dat het EWK-pensioen terecht was verleend en niet de dupe behoorde te worden van een fout van de autoriteiten die is terug te voeren op een gebrek aan onderzoek ter zake van haar aanvraag. Het EHRM achtte het toegekende recht op EWK-pensioen een “possession” in de zin van het genoemde art. 1 en Pro Moskals klacht dus ontvankelijk. Het EHRM zette vervolgens het bekende toetsingskader ter zake van het eigendomsgrondrecht uiteen (de inbreuk moet
lawfulzijn, een
legitimate aimnastreven,
reasonably proportionatezijn en dus een
fair balancetussen het publieke en individuele belang slaan) waaraan het nog een bestuursrechtelijke dimensie meegaf:
Kits van Heijningen(zie 6.2), voor zijn commissariswerk in Nederland toch in Nederland verzekerd was. Dat
Kits van Heijningenart. 13(2)(a) Vo 1408/71 betrof en niet art. 14 quater Pro Vo 1408/71, deed daar volgens het Hof niet aan af:
De Jaeck, zie 6.3; PJW] nog geen verklaring als bedoeld in artikel 12bis van de Verordening (EEG) nr. 574/72 van 21 maart 1972 had afgegeven over de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving op basis van artikel 14quater van de Verordening. Een dergelijke verklaring is geen constitutief vereiste. Indien een zodanige verklaring wel wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, is de Belastingdienst daaraan in het kader van de premieheffing in beginsel gebonden. Indien de SVB in het onderhavige geval alsnog bij onherroepelijke beslissing beslist dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing is, brengt de strekking van het genoemde artikel 12bis mee dat belanghebbende het Hof met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan verzoeken zijn uitspraak te herzien.”
7.Literatuur
Kits van Heijningen(zie 6.2) af dat de door de wetgever beoogde beperking van art. 6(1)(b) AOW tot de echte en tegenwoordige dienstbetrekking binnen de Unie geen stand houdt (
curs.in origineel): [51]
in EU-verbandgeen betekenis meer heeft. De verzekeringsplicht ten behoeve van de volksverzekeringen van niet-ingezetenen dient aan dezelfde criteria (bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen, loongrens e.d.) getoetst te worden als voor (wel-)ingezetenen het geval is. Dat betekent dat wanneer ingevolge Vo. 1408/71 de verzekeringsplicht aan Nederland wordt toegewezen ook bijvoorbeeld degenen die inkomsten genieten uit een vroegere dienstbetrekking of een fictieve dienstbetrekking verzekerd zijn, althans op basis van het niet-ingezetenschap niet uitgezonderd kunnen worden.”
in dienstbetrekkingis verricht en onderworpen is aan de loonbelasting. Het is niet van belang of daadwerkelijk loonbelasting verschuldigd is of betaald wordt. Het moet gaan om een daadwerkelijke dienstbetrekking. (...). De
fictievedienstbetrekkingen in de loonbelasting zijn voor de toepassing van dit artikel hiermee niet gelijkgesteld.”
8.Beschouwing
Coonan(6.1) Zo mogen zij voor aansluiting bij hun stelsel geen woonplaatsvereiste stellen. Doen zij dat toch, dan wordt dat vereiste vervangen “door een voorwaarde die berust op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat” (zie
Kits van Heijningen, r.o. 21, in 6.2). [54] Deze aansluitvoorwaarde-vervanging is (onderdeel van) de ‘sterke werking’ van Vo 1408/71.
De Jaecken
Hervein I(zie 6.3 en 6.4 hierboven). Mij is niet duidelijk waarom de Nederlandse regering het dan nog nodig achtte om in de bijlagen bij Vo 1408/71 een werkzaamheden-in-loondienst-fictie op te nemen voor (aanvankelijk) de DGA en (vervolgens) de werknemer in de zin van de Wet LB (zie 5.3). [55] De “werkzaamheden” moeten substantieel zijn in de betekenis van meer dan “louter marginaal en bijkomstig”. [56] Beoordeling daarvan is aan de nationale rechter. [57] Uit
Kits van Heijningenvolgt dat twee uur per dag op twee dagen per week kan volstaan.
Kits van Heijningenbepaalt weliswaar dat het woonplaatsvereiste wordt vervangen door het vereiste van “werkzaamheden in loondienst” die niet louter marginaal en bijkomstig zijn, maar gezien
De Jaecken
Hervein Iis het aan Nederland om die term in te vullen. Nederland heeft dat mijns inziens gedaan en mogen doen met art. 6(1)(b) AOW. Art. 6(1)(b) AOW heeft ook na 27 april 2006 belang behouden omdat voor de toepassing van de fictie van het huidige punt 7, rubriek “Nederland” in Bijlage VI bij Vo 1408/71 mede vereist is dat de betrokkene naar nationaal recht verzekerd is voor de volksverzekeringen.
Kits van Heijningenvolgt, ook art. 14 quater Pro(b) Vo 1408/71 aankleeft. Art. 14 quater Pro(b) Vo 1408/71 maakt weliswaar een uitzondering op het exclusiviteitsbeginsel, maar niet (ook) op de aanwijzing van toepasselijke wetgeving: art. 14 quater Pro(b) Vo 1408/71 is evenals art. 13 e.v. Vo 1408/71 een aanwijsregel, zij het een bijzondere.
Fitzwilliam(zie 6.5) volgt dat een bevoegd nationaal orgaan een door hem afgegeven E-verklaring moet intrekken als (i) een bevoegd orgaan van een andere Lid-Staat twijfels uit over de juistheid van die verklaring en (ii) uit onderzoek door eerstgenoemd bevoegd orgaan blijkt dat de verklaring ten onrechte is afgegeven. De nationale procedurele autonomie (zie 7.3) maakt dat, gezien de stellige formulering van r.o. 56 van
Fitzwilliam,niet anders: de
Nederlandsebeginselen van behoorlijk bestuur, zoals het
Nederlandserechtszekerheidsbeginsel, kunnen hier dus niet aan af doen. Uit HR BNB 2009/312 (zie 6.8) volgt voorts dat verzekering in Nederland van rechtswege ontstaat en niet afhankelijk is van het al dan niet terecht afgegeven zijn van een E-verklaring.
anderevoorwaarde, nl. onderworpenheid aan loonbelasting. Ingezetenschap kan per definitie van niet-ingezetenen niet worden geëist als voorwaarde voor aansluiting bij de nationale volksverzekering. Zoals reeds bleek bij toetsing aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod, is het onderscheid in bewijsobject een logisch en objectief gevolg van het objectieve onderscheid in feitelijke positie tussen ingezetenen, die nu eenmaal ingezeten zijn, en niet-ingezetenen, die nu eenmaal niet ingezeten zijn, zodat voor hen noodgedwongen een ander aansluitingscriterium en daarmee een ander bewijsobject geldt. Zoals boven reeds bleek, meen ik dat de twee bewijslasten elkaar niet significant ontlopen. Voor zover dat wel het geval zou zijn, meen ik dat daar een rechtvaardiging voor bestaat, nl. de noodzaak van relevante afbakening van de kring van verzekerden, en dat het aansluitcriterium van onderworpenheid aan loonbelasting in dat licht geschikt en doelproportioneel is.
9.Beoordeling van de klachten
in loondienstheeft gewerkt. Hij heeft immers nimmer enige arbeidsovereenkomst geproduceerd en van de in art. 6(1)(b) AOW bedoelde onderworpenheid aan de loonbelasting is niet gebleken. Dat heeft de belanghebbende mede aan zichzelf te wijten, nu hij tegen de door hem zelf aangevraagde vrijwillige inhoudingsplicht ex ar. 6(2)(b) Wet LB voor zijn Belgische werkgever(s) bezwaar heeft gemaakt (zie 2.15). Die onderworpenheid ontstaat ook niet door in de aangifte inkomstenbelasting looninkomsten te verantwoorden, [59] omdat (i) verzekering niet door aangifte, maar van rechtswege uit (bewezen) feiten ontstaat en (ii) niet de fiscus maar de SVB over de verzekeringsplicht gaat; de fiscus gaat alleen over de premieheffing, die voortvloeit uit de verzekering; niet andersom (zie art. 6 Wet Pro financiering sociale verzekeringen). Daarom volgt de fiscus bij het vaststellen van de premieplicht normaal gesproken het oordeel van de SVB over de verzekeringsplicht.
Fitzwilliamvolgt mijns inziens dat de SVB zijn E 104-verklaringen moest intrekken. Vast staat immers dat de Belgische bevoegde autoriteiten twijfels hadden geuit aan de juistheid van die verklaringen (zie 2.14) en dat de SVB naar aanleiding daarvan onderzoek heeft gedaan dat haar tot de bevinding voerde dat zij ten onrechte waren afgegeven. Dat de ingetrokken E 104-verklaringen zagen op de AWBZ en niet op de AOW, doet mijns inziens niet ter zake, nu de AWBZ, de AOW en de Anw dezelfde aansluitingscriteria kennen, nog daargelaten dat iets dat er niet is, ook niet ingetrokken hoeft te worden.
Moskal v. Polandvan het EHRM. Aanspraken ter zake van
niet-verzekerde jaren kunnen geen “possession” in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM zijn, juist omdat geen verzekering en dus geen juridisch relevante aanspraak bestond. Men kan iemand niet iets afnemen wat hij nooit heeft gehad. Er is in casu dus materieel ook geen sprake van terugwerkende kracht, mede gezien de omstandigheid dat verzekering van rechtswege wel of niet ontstaat en niet afhankelijke is van het al dan niet afgegeven zijn van al dan niet correcte E-verklaringen. Wat de terugvordering van ten onrechte reeds betaald AOW-pensioen betreft: ook daar verzet art. 1 Eerste Pro Protocol zich in beginsel niet tegen, zelfs niet als de terugvorderende autoriteit zelf een fout heeft gemaakt, zo volgt uit
Moskal v. Poland, terwijl bovendien de eenmalige terugvordering van € 523,54 (zie 2.21) geen “excessive burden” lijkt in vergelijking met de situatie van mevrouw Moskal, die drie jaar moest wachten op een nieuwe en gehalveerde uitkering en die in de tussentijd geen bestaansinkomen had. Ik merk ten slotte op dat de SVB de belanghebbende - contra legem [62] - de mogelijkheid heeft geboden zich tegen premiebetaling over oude jaren alsnog vrijwillig te verzekeren.