Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had ten aanzien van de fotocamera, omdat verdachte de camera terug wilde geven wanneer hij het geld van aangever had ontvangen.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Het verweer van de raadsman dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke toeeigening treft geen doel. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard, en dit bij het hof herhaald, dat [betrokkene 1] hem geld moest geven en dat hij dan de camera terug zou krijgen. Verdachte had derhalve wel degelijk de bedoeling om zich die camera wederrechtelijk toe te eigenen. Dat hij het toestel later - namelijk als [betrokkene 1] hem het bedrag van EUR 46 zou hebben voldaan - wel terug zou willen geven, doet daaraan niet af. De stelling van de raadsman dat er reeds sprake was van een schermutseling voorafgaand aan het in bezit nemen van de camera en het door de verdachte gehanteerde geweld derhalve niet in relatie staat tot het in bezit nemen van de camera vindt geen steun in de in het dossier aanwezige verklaringen van aangever en verdachte, zodat ook dit onderdeel van het verweer geen doel treft.
a. wanneer is sprake van toe-eigenen in de zin van art. 310 Sr Pro?
b. wat dient te worden verstaan onder het in art. 310 genoemde Pro oogmerk?
tweede middelklaagt dat het Hof een poging tot diefstal bewezen heeft verklaard, terwijl uit de bewijsmiddelen van een voltooid delict blijkt.
derde middelhoudt in dat het Hof zonder enige motivering in weerwil van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdachte en van de Advocaat-Generaal dat de verdachte diende te worden vrijgesproken dan wel een geheel voorwaardelijke geldboete zou moeten worden opgelegd, een werkstraf voor de duur van 20 uren heeft opgelegd
Op te leggen straf