Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof de inhoud van proces-verbaal genummerd als AH-36 met bijlage heeft gedenatureerd en dat de beslissing van het Hof derhalve niet voldoet aan het vereiste dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de strekking van een bewijsmiddel.
tweede middelklaagt dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene nauw is verbonden met [A] BV mede is gebaseerd op de omstandigheid dat op bepaalde offertes het telefoonnummer van de betrokkene is vermeld, zulks terwijl het Hof onvoldoende nauwkeurig de bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan deze omstandigheid zou zijn ontleend en bovendien deze omstandigheid niet blijkt uit de door het Hof aangehaalde bewijsmiddelen.
“Betrokkenheid veroordeelde bij [A]
derde middelklaagt dat het Hof de verklaring van [betrokkene 1] heeft gedenatureerd en aldus niet heeft voldaan aan het vereiste dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de strekking van een gebezigd bewijsmiddel.
vierde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in drie klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat sprake is van feitelijk leidinggeven van de betrokkene aan [A] BV zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Bij deze klacht moet worden vooropgesteld dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat [A] BV is gebruikt om (reeds eerder door hennepteelt) wederrechtelijk verkregen voordeel te witwassen. De door het Hof onder het hoofdje ‘Betrokkenheid veroordeelde bij [A]’ vastgestelde omstandigheden moeten in dat licht worden bezien. Gelet op het voorgaande, moet het oordeel van het Hof, inhoudende “dat de veroordeelde wel degelijk leiding gaf aan [A]”, kennelijk aldus worden begrepen dat de betrokkene feitelijk de leiding had binnen [A] Bv en dient het niet in die zin te worden verstaan dat de betrokkene feitelijk leidinggever in de zin van art. 51 Sr Pro was. De eerste klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.
vijfde middelklaagt dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen onder “AH-8 en de bijlagen daarbij” niet zonder meer dragend kunnen zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaande uit “uitgaven voor recreatie”.
zesde middelklaagt dat de beslissing van het Hof om de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot een Jeep Cherokee als uitgaven aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken, berust op tegenstrijdige bewijsmiddelen.
zevende middelklaagt dat de beslissing van het Hof om de aankoopprijs en verscheidene kosten met betrekking tot een Landrover Discovery als uitgaven aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
achtste middelklaagt dat de beslissing van het Hof om de kosten van een aggregaat aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling)en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet zonder meer begrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt daarbij het volgende naar voren gebracht: “Aangezien de enige rechtstreekse kenbron voor de door het Hof aan verzoeker toegerekende uitgave van € 10.500 nu juist het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 13] is, is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het Hof blijkbaar getuige [betrokkene 13] wel heeft willen volgen voor wat betreft de aanschaf en betaling van het aggregaat, maar het Hof vervolgens ten aanzien van (de strandtent van) [betrokkene 14] meent dat diens betrokkenheid "(...) op geen enkele wijze met verifieerbare gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden" is. Datzelfde geldt voor de aanschaf van het aggregaat, waarvan bijvoorbeeld ook geen factuur is opgenomen bij proces-verbaal AH-31.”
negende middelklaagt dat de beslissing van het Hof om de kosten van een frituurinstallatie aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
tiende middelklaagt dat de beslissing van het Hof om de helft van de kostprijs van de aangetroffen verdovende middelen aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken niet is gebaseerd op de inhoud van een wettig bewijsmiddel.
“Aankoop verdovende middelen
elfde middelklaagt dat de beslissing van het Hof om bedragen van € 9.000 en € 85.508 die aan [A] BV zijn betaald aan de betrokkene toe te rekenen (in het kader van een kasopstelling) en aldus bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betrekken zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.