ECLI:NL:PHR:2012:BY8117
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Giftenaftrek bij periodieke uitkeringen en schenkingsrecht na overlijden schenker
In deze zaak staat centraal of erfgenamen de giftenaftrek kunnen toepassen voor periodieke uitkeringen en het schenkingsrecht dat zij onder algemene titel van de overleden schenker hebben verkregen. De schenker had een periodieke schenking gedaan in natura, bestaande uit certificaten van aandelen, aan een algemeen nut beogende instelling. Na het overlijden van de schenker namen de erfgenamen de verplichting tot het doen van deze uitkeringen en het betalen van het schenkingsrecht over.
De Rechtbank wees de giftenaftrek af omdat de periodieke schenking en het schenkingsrecht in mindering waren gebracht op de nalatenschap en dus niet ten laste kwamen van het vermogen van de erfgenamen. Het Hof stelde echter dat de voorwaarde van vrijgevigheid niet aan de periodieke giften zelf hoeft te worden getoetst, maar aan het moment van toekenning van het recht op periodieke uitkeringen. Het Hof oordeelde dat de erfgenamen de giftenaftrek kunnen toepassen bij voldoening van de termijnen en het schenkingsrecht.
De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen en het betalen van het schenkingsrecht onder algemene titel op de erfgenamen overgaat, en dat zij de giftenaftrek kunnen toepassen. De eis van vaste en gelijkmatige uitkeringen wordt niet doorbroken door een latere betaling van een termijn. Wel wordt geoordeeld dat de betaling van het schenkingsrecht zelf niet als gift kan worden aangemerkt. De conclusie is dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond wordt verklaard voor zover het de aftrek van het schenkingsrecht betreft.
Uitkomst: De giftenaftrek wordt toegestaan voor de periodieke uitkeringen door erfgenamen, maar niet voor het betaalde schenkingsrecht.