ECLI:NL:PHR:2012:BY5364

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05764
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 SvArt. 416 SvArt. 265 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving betekeningstermijn in hoger beroep

In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hij niet was verschenen en geen bezwaren had opgegeven tegen het vonnis. De dagvaarding voor de terechtzitting van 13 oktober 2011 werd echter slechts zes dagen voor de zitting betekend, terwijl de wet een termijn van ten minste tien dagen voorschrijft.

De advocaat van verdachte was aanwezig maar verklaarde geen contact meer te hebben met zijn cliënt en was niet uitdrukkelijk gemachtigd. Het hof had moeten onderzoeken of de oproeping tijdig en regelmatig was betekend en bij twijfel het onderzoek moeten schorsen. Het niet naleven van de betekeningstermijn leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak.

De Hoge Raad concludeert dat het middel slaagt en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem of een ander hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier.

Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging door de Hoge Raad aangetroffen. De procedure wordt hiermee heropend om de rechten van verdachte te waarborgen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving betekeningstermijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 11/05764
Mr. Silvis
Zitting: 30 oktober 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Verdachte is bij arrest van 13 oktober 2011 door het Gerechtshof te Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Namens verdachte heeft mr. D.P.J.M. Vermunt, advocaat te Zaltbommel, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt a) dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting heeft gesloten zonder (ervan te hebben doen blijken) zich ervan te hebben vergewist dat de oproeping van verdachte voor die zitting tijdig en regelmatig ter kennis van verdachte is gebracht, en b) dat het (mede daardoor) zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep heeft doen steunen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, althans de beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd.
4. Uit de stukken blijkt het volgende. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 is verdachte aldaar niet verschenen. Wel was aanwezig mr. Roelofs, advocaat te Nijmegen, die aldaar verklaarde al langere tijd geen contact meer te hebben met zijn cliënt, en niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Tegen de verdacht is verstek verleend waarna de behandeling van de zaak is voortgezet. Verdachte is vervolgens, conform de vordering van de advocaat-generaal, door het Hof ex art 416 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat geen bezwaren tegen het vonnis waren opgegeven en het Hof ambtshalve evenmin reden zag voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.
5. In het dossier bevindt zich de dagvaarding van verdachte voor de terechtzitting bij het Hof te Arnhem van 13 oktober 2011. Blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking, is die oproeping na een vergeefse poging tot uitreiking op het adres [adres], op 7 oktober 2011 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem uitgereikt en per post aan genoemd adres verzonden. Tussen de dag van betekening van de oproeping voor de terechtzitting en de dag van die terechtzitting zijn derhalve slechts zes dagen verlopen. Ingevolge art. 413, eerste lid, Sv is een termijn van ten minste tien dagen voorgeschreven. Die termijn is dus niet in acht genomen. Niet blijkt dat die verkorting van de termijn met toestemming van verdachte heeft plaatsgevonden, terwijl verdachte dus niet op de terechtzitting van 13 oktober 2011 is verschenen en de aldaar wel aanwezige advocaat heeft aangegeven geen contact meer te hebben met verdachte. Het Hof had reeds gelet daarop niet alleen moeten doen blijken van een onderzoek naar de tijdigheid en regelmatigheid van de oproeping en zijn oordeel daaromtrent moeten motiveren(2), maar had het ingevolge art. 265, derde lid, Sv het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.(3) Het middel slaagt dus reeds in zoverre, zodat de tweede klacht buiten bespreking kan blijven.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem dan wel verwijzing naar een ander hof, ten einde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaak 11/05760 waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Sch, rov. 3.30.
3 HR 15 mei 2007, LJN BA1639, NJ 2007/299 en HR 10 juni 2008, LJN BC8644.