ECLI:NL:HR:2008:BC8644

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00462/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 SvArt. 265 SvArt. 588 SvArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
8 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van hoger beroep wegens schending termijn dagvaarding en verstek zonder schorsing

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Het hof had de verdachte veroordeeld bij verstek nadat hij niet was verschenen op de terechtzitting in hoger beroep. De dagvaarding voor deze zitting was niet persoonlijk aan de verdachte uitgereikt, maar aan de griffier van de rechtbank, waardoor de wettelijke termijn van tien dagen niet werd gerespecteerd.

De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was en dat de verdachte niet op de hoogte was van de zitting. De Hoge Raad overwoog dat de dagvaarding weliswaar volgens artikel 588 Sv Pro was betekend, maar dat de termijn van tien dagen zoals voorgeschreven in artikel 413, eerste lid Sv, niet was nageleefd. Omdat het hof het onderzoek voortzette zonder de verdachte de kans te geven alsnog te verschijnen en zonder schorsing, was sprake van een ernstig procesverzuim.

De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim zo ernstig was dat het de nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak tot gevolg had. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de termijn van tien dagen en voortzetting van het onderzoek na verstek zonder schorsing.

Uitspraak

10 juni 2008
Strafkamer
nr. 00462/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van 7 september 2006, nummer 21/003482-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 21 juni 2005 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog de behandeling van zijn zaak bij te wonen.
3.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Een akte rechtsmiddel houdt in dat mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Wijk bij Duurstede, op 5 juli 2005 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem is gekomen en heeft verklaard door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de hierna te noemen verklaring en beroep in te stellen tegen het eindvonnis van 21 juni 2005.
(ii) Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te Arnhem van 24 augustus 2006, houdt in dat die dagvaarding, na een vergeefse poging tot uitreiking aan het adres [a-straat 1] te [woonplaats], op 16 augustus 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, "omdat de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven", en dat een afschrift van die dagvaarding op 16 augustus 2006 is verzonden aan het hiervoor genoemde adres.
(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2006 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend en voorts houdt dat proces-verbaal onder meer het volgende in:
"Ter terechtzitting is aanwezig mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Voorts betoogt de raadsman dat zijns inziens de dagvaarding in hoger beroep nietig dient te worden verklaard. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte in Israël verblijft en niet op de hoogte is van het feit dat zijn zaak vandaag in hoger beroep dient. Mocht het hof tot een ander oordeel komen dan verzoekt de raadsman om aanhouding van de zaak om verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen ter terechtzitting te verschijnen.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat de dagvaarding in hoger beroep is betekend overeenkomstig artikel 588 van Pro het Wetboek van Strafvordering en dat zij zich verzet tegen aanhouding.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verweer van de raadsman wordt verworpen. Blijkens de akte van uitreiking is gepoogd op 7 augustus 2006 de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Dit is niet gelukt daar op het aangegeven adres niemand werd aangetroffen. Vervolgens is op 16 augustus 2006 de dagvaarding ter griffie van de rechtbank te Arnhem uitgereikt aan de griffier van die rechtbank, die nog dezelfde dag de dagvaarding als gewone brief naar het bovenstaande adres heeft gestuurd. Blijkens de gegevens van de basisadministratie persoonsgegevens van 16 augustus 2006 stond verdachte sinds 13 november 2003 ingeschreven op dit adres. Nu de dagvaarding in hoger beroep juist is betekend en het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen aanleiding geeft tot het uitspreken van de nietigheid van de dagvaarding wordt het verweer verworpen. Voorts overweegt het hof dat nu verdachte zelf hoger beroep heeft laten instellen van hem mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Het hof wijst derhalve het verzoek af."
3.4. Nu volgens de hiervoor onder 3.2 sub i genoemde akte van uitreiking de dagvaarding van de verdachte om op 24 augustus 2006 ter terechtzitting van het Hof te verschijnen op 16 augustus 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, is de in art. 413, eerste lid eerste volzin, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413, eerste lid, Sv in verbinding met art. 265, derde lid, Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert (vgl. HR 12 februari 2002, LJN AD7800, NJ 2002, 286).
3.5. De klacht is gegrond.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 juni 2008.