ECLI:NL:PHR:2012:BX4536

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 11/05446 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 lid 2 SvArt. 511g lid 2 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 359a SvArt. 511e lid 1 Sv
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof en terugwijzing ontnemingszaak wegens onvoldoende motivering vrijspraak

In deze zaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd waarin de verdachte vrijgesproken werd van het ten laste gelegde witwassen en de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €100.800 werd afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof onvoldoende met redenen was omkleed, waardoor de grondslag voor de beslissing in de ontnemingszaak kwam te vervallen.

De ontnemingsvordering was aanvankelijk toegewezen in eerste aanleg, maar door het Hof in hoger beroep afgewezen. De Hoge Raad constateerde dat het Hof ten onrechte tot afwijzing van de vordering kwam terwijl het ontbreken van een veroordeling in de hoofdzaak de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg staat. Tevens werd het vormverzuim dat het Hof als reden voor vrijspraak aanvoerde, niet voldoende onderbouwd.

De Hoge Raad concludeerde dat de vrijspraak in de hoofdzaak opnieuw beoordeeld moet worden, en daarmee ook de ontnemingsvordering. De zaak wordt terugverwezen naar het Hof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting en beslissing. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 11/05446 P
Mr. Vegter
Zitting 5 juni 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 15 maart 2010 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.(2)
2.1. Tegen deze beslissing is door mr. S.A. Minks, Advocaat-Generaal bij het Hof, op 22 maart 2010 beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, eveneens Advocaat-Generaal bij het Hof te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur een voorwaardelijk middel van cassatie voorgesteld.
2.2. Alvorens tot bespreking van de cassatieschriftuur over te gaan, merk ik het volgende op. De cassatieakte vermeldt weliswaar dat het cassatieberoep is gericht tegen "de strafzaak" jegens verdachte, maar gelet op het op de akte vermelde parketnummer 22-005928-07 lijdt het geen twijfel dat dit cassatieberoep is gericht tegen 's Hofs gewezen uitspraak in de ontnemingszaak onder voornoemd nummer.
3.1. De cassatieschriftuur behelst een voorwaardelijk middel, in die zin dat het slechts wordt voorgesteld indien het cassatiemiddel in de hoofdzaak doel treft. Het cassatiemiddel in de hoofdzaak is gericht tegen 's Hofs oordeel dat er sprake is van een vormverzuim dat ingevolge art. 359a Sv tot bewijsuitsluiting moet leiden, met vrijspraak van het tenlastegelegde witwassen van € 100.800,= tot gevolg. In de hoofdzaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In lijn met HR 19 juni 2001, LJN AB2248, NJ 2001/552 klaagt het middel in de onderhavige ontnemingszaak dat indien en voor zover de bestreden uitspraak in de hoofdzaak door de Hoge Raad wordt vernietigd, 's Hofs afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op onjuiste gronden berust. Gelet op mijn conclusie in de hoofdzaak, zal ik het voorwaardelijk voorgestelde cassatiemiddel bespreken.
3.2. Het Hof heeft de beslissing tot afwijzing van de - in eerste aanleg toegewezen - ontnemingsvordering van € 100.800,= als volgt gemotiveerd:
"De vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 100.800,--(honderdduizendenachthonderd euro), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 100.800,--.
(...)
Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de gewezen verdachte bij arrest van 15 maart 2010 van dit gerechtshof is vrijgesproken van het in zijn strafzaak tenlastegelegde.
Het openbaar ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met parketnummer 10-600061-07.
BESLISSING (bij verstek)
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af."
3.3. De ontnemingsbeslissing berust mijns inziens inderdaad (vooralsnog) op onjuiste gronden, nu de aan die beslissing ten grondslag gelegde vrijspraak in de hoofdzaak - zoals door mij in die zaak uiteengezet en geconcludeerd - getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel treft om die reden mijns inziens doel. De gegeven vrijspraak in de hoofdzaak dient opnieuw te worden beoordeeld en daarmee ook de ontnemingsvordering.
3.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het Hof heeft overwogen dat het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal beslissen, maar vervolgens in het dictum beslist tot afwijzing van de vordering. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit art. 511e lid 1 juncto art. 348 Sv Pro, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.(3) Art. 36e, eerste lid, Sr houdt immers in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De - niet met de overwegingen strokende - beslissing van het Hof dat de vordering wegens het ontbreken van een veroordeling in de hoofdzaak diende te worden afgewezen, kan ook om die reden niet in stand blijven.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak jegens verdachte, zaaknr. 10/01281, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
2 Het Hof heeft deze uitspraak bij verstek gewezen en daarmee miskend dat tegenspraak ex art. 279 lid 2 Sv Pro (hier van toepassing o.g.v. art. 511g lid 2 jo. art. 415 lid 1 Sv Pro) ook tegenspraak blijft indien op de volgende zitting niemand of alleen een niet-gemachtigde raadsman verschijnt, ongeacht of het onderzoek opnieuw wordt aangevangen (HR 9 december 2003, LJN AG3022, NJ 2004/167).
3 HR 17 februari 2009, LJN BG4259, NJ 2009/121.