ECLI:NL:PHR:2012:BX0731

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05023
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 lid 1 RvArt. 130 lid 2 RvArt. 283 RvArt. 362 RvArt. 426a Rv
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake aanvullend verzoek verdeling huwelijksgoederengemeenschap

De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtgenoten over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. De rechtbank 's-Gravenhage sprak de echtscheiding uit en bepaalde het toepasselijke recht. Vervolgens verzocht de man om vaststelling dat er een gemeenschap van goederen bestond en om vergoeding wegens onderbedeling, terwijl de vrouw een tegenvordering indiende voor vergoeding van de inboedel en auto.

Het hof 's-Gravenhage behandelde het hoger beroep en incidenteel hoger beroep en bekrachtigde de eindbeschikking van de rechtbank, waarbij onder meer de verdeling van de belastingschuld werd vastgesteld. De man diende een aanvullend verzoek in hoger beroep in, gericht op openstaande vorderingen, maar het hof passeerde dit verzoek wegens strijd met de goede procesorde.

De man stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, maar de Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het aanvullend verzoek in strijd was met art. 130 lid 2 Rv Pro. en de goede procesorde. De Hoge Raad bevestigde dat tegen beslissingen over wijziging of vermeerdering van de eis geen hoger beroep openstaat en dat het grievenstelsel strikt toegepast moet worden in hoger beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met de goede procesorde bij het aanvullend verzoek.

Conclusie

11/05023
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 29 juni 2012
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Inleiding
1. Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie nu verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
2. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Partijen, verder: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. De rechtbank 's-Gravenhage heeft in de onderhavige procedure op verzoek van de vrouw bij beschikking van 3 november 2008 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 10 februari 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft in eerste aanleg bij wege van zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat en voorts te bepalen dat aan de man ter zake van onderbedeling door de vrouw een bedrag van € 100.000,- wordt voldaan. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de man en zij heeft haar verzoek aangevuld met een verzoek te bepalen dat de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd verdeeld zal worden in die zin dat de man aan de vrouw de helft van de inboedel zal vergoeden en de helft van de auto (Toyota), tegen een bedrag van € 5.000,- resp. € 4.000,-.
In haar tussenbeschikking van 7 januari 2010 heeft de rechtbank overwogen dat partijen ten aanzien van het op het huwelijksvermogensregime toepasselijk recht hebben verklaard dat dit het nauwst verbonden is met Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is op de verdeling. Bij eindbeschikking van 30 augustus 2010 heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.
Bij beschikking van 17 augustus 2011 heeft het hof 's-Gravenhage - op het hoger beroep van de man en het incidenteel hoger beroep van de vrouw tegen de eindbeschikking - vooropgesteld dat in geschil is ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap de verplichting van de man om ter verrekening van de waarde van de auto een bedrag van € 4.000,- te voldoen, de omvang van de inboedel op de peildatum van 1 januari 2008 en de belastingschuld over het jaar 2006. Het hof heeft de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd en bepaald dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding ieder de helft van de belastingschuld ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering over het jaar 2006 dragen, aldus dat het hof heeft bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 652,50 zal voldoen.
3. De man heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 17 augustus 2011. Het cassatieverzoekschrift zelf is niet ondertekend door de advocaat bij de Hoge Raad die het cassatierekest heeft ingediend, doch de brief waarbij het verzoekschrift wordt ingediend is daarentegen wel door deze advocaat ondertekend. De man heeft zich het recht voorbehouden zijn middel aan te vullen zodra hij kennis zal hebben genomen van het proces-verbaal van de zitting bij het hof. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. De man heeft naar aanleiding van de toezending van het proces-verbaal bij brief van 2 februari 2012 laten weten dat in het proces-verbaal niet valt te lezen dat de advocaat van de vrouw, zoals het hof overwoog, bezwaar heeft gemaakt tegen de behandeling van het aanvullend verzoek van de man. De vrouw heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het cassatiemiddel
4. Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 6 van de bestreden beschikking, waar het hof oordeelde over het "Nieuw verzoek bij brief van 6 juni 2006". Het hof overwoog in rov. 5 dat de man, naar ter terechtzitting is gebleken, de bedoeling heeft gehad om bij brief van 6 juni 2011 een aanvullend verzoek in te dienen, onder handhaving van zijn verzoek in hoger beroep, te weten, naar het hof begrijpt, het verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.327,12 ter zake van openstaande vorderingen die de man op de vrouw heeft, welk verzoek de man onderbouwt door producties bij deze brief over te leggen. In rov. 6 heeft het hof dit aanvullend verzoek gepasseerd. Het overwoog daartoe als volgt: "De man heeft in zijn aan het hof gerichte brief van 6 juni 2011 geen (duidelijk) verzoek geformuleerd dat hij dienaangaande ter beoordeling aan het hof wenst voor te leggen. De man stelt in genoemde brief dat het appel enkel en alleen ziet op de waardebepaling van de auto, de verdeling van de inboedel en in het incidenteel appel op de verdeling van de belastingschuld over het jaar 2006. Namens de vrouw is verklaard dat het de vrouw niet duidelijk is geweest dat de man zijn verzoek heeft willen vermeerderen en is bezwaar gemaakt tegen het in de beoordeling betrekken van de door de man gepretendeerde vorderingen. Het hof passeert hetgeen de man in zijn brief betreffende deze vorderingen stelt, daar het hof het aanvullend verzoek op deze gronden in strijd acht met de eisen van een goede procesorde."
5. Art. 283 Rv Pro. (dat krachtens art. 362 Rv Pro. ook in hoger beroep van toepassing is) bepaalt dat, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv Pro. van overeenkomstige toepassing. Op grond van art. 130 lid 1 Rv Pro. is de eiser, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.
Het middel ziet eraan voorbij dat ingevolge art. 130 lid 2 Rv Pro. tegen beslissingen van de rechter bedoeld in het eerste lid, geen hogere voorziening open staat en dat door uw Raad is beslist dat ook geen rechtsmiddel openstaat in het kader van de zogenaamde doorbrekingsjurisprudentie: zie HR 28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000, 220, m.nt. JBMV. Daarbij komt dan nog dat art. 130 lid 1 Rv Pro. in hoger beroep in dagvaardingszaken moet worden uitgelegd overeenkomstig de regels van het grievenstelsel met zijn 'in beginsel strakke twee-conclusieregel' en in rekestzaken overeenkomstig de regels van het grondenstelsel dat zich niet onderscheidt van het grievenstelsel. Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein, & Wesseling-van Gent 4 2009, nrs. 86, 164-166, 106 en 248. Zie verder: Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering, art. 130 Rv Pro., aant. 6 en art. 283 Rv Pro., aant. 10 (W. Heemskerk resp. Schaafsma-Beversluis); Snijders/Wendels, Civiel Appel, 2009, nr. 191; Tekst & Commentaar Burgerlijke rechtsvordering (2010), art. 130 Rv Pro., aant. 4 en art. 283 Rv Pro., aant. 4 (M. Ynzonides en M. Koedoot resp. Van Mierlo) en W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, 2011, p. 69.
Aangenomen dat de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn cassatieberoep niet reeds afstuit op de omstandigheid dat het cassatierekest zelf niet is ondertekend door de advocaat bij de Hoge Raad die het cassatierekest heeft ingediend zoals voorgeschreven door art. 426a Rv. (zie ook HR 10 juli 2009, LJN BI0773, NJ 2010/212, m.nt. Snijders) omdat in casu de aanbiedingsbrief wel door deze advocaat is ondertekend, moet de conclusie zijn dat de verzoeker gelet op art. 130 lid 2 Rv Pro., dat in de verzoekschriftprocedure van overeenkomstige toepassing is, niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep tegen de beslissing van het hof om zijn aanvullend verzoek als in strijd met de goede procesorde te passeren.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden