ECLI:NL:PHR:2012:BW9966
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid vervolging wegens smaadschrift minister-president zonder klachtvereiste
In deze zaak werd de verdachte vervolgd wegens het openlijk tentoonstellen van geschriften die de eer en goede naam van de minister-president aantasten, kwalificerend als smaadschrift. De verdediging voerde onder meer aan dat de tenlastelegging onvolledig was wegens ontbrekende geschriften bij de dagvaarding, dat het klachtvereiste van artikel 269 Sr Pro niet was vervuld, en dat de minister-president niet als ambtenaar kon worden aangemerkt. Tevens werd betoogd dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke tenlastelegging voldoende was en dat de latere toevoeging van de geschriften rechtsgeldig was. Het hof stelde vast dat de vervolging was toegesneden op artikel 267 Sr Pro, waardoor het klachtvereiste niet van toepassing is. Tevens werd geoordeeld dat de minister-president als ambtenaar in de zin van artikel 84 Sr Pro moet worden beschouwd, vanwege zijn benoeming bij koninklijk besluit en openbaar karakter van zijn functie.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de vervolging ontvankelijk is, de minister-president als ambtenaar geldt, en dat de redelijke termijn aanvangt bij betekening van de dagvaarding en niet bij een uitnodiging voor verhoor. De middelen van cassatie worden verworpen, waarmee de veroordeling tot een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf in stand blijft.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het klachtvereiste bij smaadschrift tegen ambtenaren en bevestigt de ruime interpretatie van het begrip ambtenaar in het strafrecht. Tevens wordt bevestigd dat de betekening van de dagvaarding het startpunt is voor de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van de vervolging wegens smaadschrift tegen de minister-president zonder klachtvereiste en handhaaft de veroordeling.