ECLI:NL:PHR:2012:BW9965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest Hof wegens onduidelijke ontnemingsverplichting in zaak medeplegen Opiumwetdelicten
In deze zaak is de betrokkene onherroepelijk veroordeeld wegens medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten in de periode van 1 maart 1998 tot en met 10 oktober 2000. Het Hof had op basis van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) over de periode van 1 januari 1995 tot en met 10 oktober 2000 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd.
De betrokkene stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof dat ook vermogensbestanddelen van vóór 1 maart 1998 konden worden betrokken bij de ontnemingsvordering, terwijl hij voor die periode niet was veroordeeld. De Hoge Raad overweegt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het niet vereist is dat de betrokkene voor strafbare feiten vóór die datum is veroordeeld, mits aannemelijk is dat het voordeel uit andere strafbare feiten voortkomt.
De Hoge Raad wijst op het arrest Geerlings van het EHRM en stelt dat dit niet van toepassing is omdat de betrokkene niet is vrijgesproken van de feiten waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd. Wel vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof vanwege het ontbreken van een concreet vastgesteld bedrag van de betalingsverplichting, aangezien het Hof het bedrag vermeerderde met het vervolgprofijt zonder dit te concretiseren.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug voor een beslissing waarin de betalingsverplichting duidelijk en concreet wordt vastgesteld.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een concreet vastgesteld bedrag van de ontnemingsverplichting.