ECLI:NL:PHR:2012:BW5121
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling deelname aan criminele en terroristische organisatie met radicale islamitische ideologie
De zaak betreft de deelname van verdachte aan een organisatie die zich richtte op het plegen van misdrijven en terroristische misdrijven in de periode van mei 2003 tot november 2004. Het hof stelde vast dat de groep bestond uit een netwerk van personen die regelmatig bijeenkwamen in een woning te Amsterdam, waar zij werden geschoold in een radicale interpretatie van de islam, met oproepen tot haat, geweld en jihad.
Bewijsmateriaal bestond uit verklaringen van betrokkenen en getuigen, onder meer over bijeenkomsten, verspreiding van teksten en audiovisueel materiaal dat geweld verheerlijkt. De groep had een zekere structuur en duurzaamheid, met hoofdrolspelers die anderen onderwezen en aanzetten tot gewapend verzet tegen de democratische rechtsorde.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een organisatie met voldoende structuur en dat het ging om losse samenkomsten zonder vaste regels of doelstellingen. Ook werd de betrouwbaarheid van een belangrijke getuige betwist, die later haar verklaring nuanceerde. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat het samenwerkingsverband voldoende gestructureerd was om als organisatie te kwalificeren.
Het hof veroordeelde verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf en verklaarde inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof, waarbij het juridische kader rond het begrip organisatie en de bewijsoverwegingen uitgebreid werden toegelicht.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor deelname aan een terroristische organisatie.