ECLI:NL:PHR:2012:BW4102
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanmerkelijk belang bij aandelen gehouden door een vereniging
In deze zaak staat centraal of A en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang hebben in X B.V., waarvan alle aandelen worden gehouden door een vereniging. De Inspecteur stelde dat A en zijn echtgenote via hun stemrechten in de vereniging feitelijk de volledige zeggenschap en het economische belang bezitten, waardoor de gebruikelijkloonregeling toegepast kon worden.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dit standpunt en oordeelden dat A en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang hebben, omdat zij vrijwel alle stemrechten in de vereniging bezitten en de vereniging alle aandelen in de BV houdt. Het Hof stelde dat de vereniging slechts formeel aandeelhouder is en dat het economische belang bij A en zijn echtgenote berust.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de vereniging als rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zonder meer genegeerd mag worden en dat leden van een vereniging geen aanmerkelijk belang kunnen hebben zoals bedoeld in de Wet IB 2001. De Hoge Raad benadrukte dat voor het aanmerkelijk belang het economische belang doorslaggevend is en dat zeggenschap niet automatisch leidt tot aanmerkelijk belang. De Hoge Raad overwoog dat de leden van een vereniging geen aanmerkelijk belang hebben tenzij zij economisch belanghebbende zijn, en dat het enkel hebben van stemrechten in een vereniging die aandelen houdt niet voldoende is. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de begrippen economisch eigendom, middellijk aandeelhouderschap, en transparantie van stichtingen en verenigingen.
De Hoge Raad bevestigt dat het aanmerkelijk belang regime niet zonder meer van toepassing is op leden van een vereniging die aandelen houdt, tenzij sprake is van een economisch belang dat overeenkomt met dat van een aandeelhouder. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het aanmerkelijk belang begrip in complexe vermogensstructuren met tussenliggende verenigingen of stichtingen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat leden van een vereniging geen aanmerkelijk belang hebben in een BV waarvan de aandelen door die vereniging worden gehouden, tenzij sprake is van een economisch belang en zeggenschap die aanmerkelijk zijn.